maandag 4 december 2006

Vuong

Het restaurant is hot. Schijnt. Onze outfits nauwkeurig bij elkaar gezocht. Ik voel me goed in m’n te dure nieuwe jurk. Daar ligt het niet aan. We wachten al een tijdje op onze hippe drankjes. We zijn bijna compleet. Eindelijk weer een keer een etentje met m’n vriendinnen. Of zoals Keet de volgende dag tegen oma zou zeggen: mamma is bloemetjes plukken met D. en C. Er vliegen allerlei gespreksonderwerpen over tafel. Daar zijn eindelijk onze drankjes. En ook H. arriveert. En we kunnen alsnog met z’n zessen aan de tafel zitten die we eigenlijk hadden gereserveerd.
We settelen ons in ons nieuwe hoekje, oftewel in de “booth” en bestellen Aziatische hapjes (of is het ‘fingerfood’?). Ik kan me steeds slechter concentreren op de gesprekken in de booth. Tot een half uur geleden ging het best goed, plaatste ik hier en daar nog een scherpe opmerking of kon ik nog een bijdrage leveren aan een gesprek. Maar langzamerhand glijden er allerlei gedachten van de afgelopen week m’n hoofd in. M’n vriendinnen veranderen in pratende hoofden, ik kan het niet meer opbrengen om de gesprekken te volgen. Zien ze dan niet dat ik me rot voel? Iedereen weet toch dat het niet goed gaat? Waarom vraagt niemand iets?
Toen ik een paar weken geleden voor het eerst op de tafel van de haptotherapeute lag, vroeg ze me of ik vond dat ik voldoende ruimte innam. Ik begreep niet helemaal wat ze bedoelde. “Ik vind dat je er een beetje iel bijligt”, zei ze. “Je mag wel wat meer ruimte innemen, wat ruimer in je vel zitten.”
Opeens begrijp ik wat ze bedoelde. Ik heb het benauwd, heb geen ruimte. Heb het gevoel dat ik hier net zo goed niet had kunnen zijn. Maar wat nu? Ik ga hier toch niet opeens tussen de suhsi en sashimi door mijn klotegevoel in de groep gooien. Ik wurm me uit de booth om even naar de wc te gaan. Kan de deurklink niet vinden (behoort niet bij het design). Probeer mezelf op de wc bij elkaar te rapen, zoek bijna vijf minuten naar de designknop om door te spoelen en loop terug. Het heeft niet geholpen.
En dan is het alsof iemand het ventiel uit mijn te hard opgepompte band trekt. B. vraagt hoe het gaat met de haptotherapie. Ik weet niet meer wat ik antwoordde maar weet wel dat er bijna direct tranen volgen. Ik snotter weg in m’n hoekje, laat m’n hoofd leeglopen bij B. die ik al een half jaar niet heb gezien en voel me bijna direct rustiger worden. Ik pruttel nog wat door, B. luistert en geeft hier en daar wat commentaar of aanvullingen. Ik krijg weer lucht. Het eten is inmiddels op. B. gaat terug naar Blaricum, ik loop even met H. naar de pinautomaat op het Leidseplein. Als ik terugkom, is er een nieuwe ronde caiperina’s gearriveerd. Ik bestel er ook nog maar één. Het dansen kan beginnen. We hebben het er niet meer over.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen