Posts tonen met het label Niet zo happy. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Niet zo happy. Alle posts tonen

zondag 19 april 2015

Mama zijn is niet altijd fijn

Ik werd geïnterviewd door het Vlaamse blad Knack Weekend over het waarom van de Club van Relaxte Moeders en de eerlijkheid over het moederschap. De meiden van de leuke pagina The Gentlemom deden ook mee, samen met Lieve Van Weddingen, auteur van het boek Mijn baby lacht. Nu ik nog, en de dames van Charlie Magazine.

Als je dit op je telefoon lees, kun je de pagina's hieronder het beste opslaan als afbeelding en vanuit je fotoalbum lezen!






































zaterdag 9 maart 2013

Rauw

Het is al weer negen jaar geleden dat ik mijn vriendin Ida verloor. In mij groeide nieuw leven en zij beroofde zich van het leven. De laatste paar weken denk ik weer veel aan haar. Bijvoorbeeld als er via Twitter of Facebook oproepen naar vermiste personen verschijnen (please retweet). 

Toen Ida verdween wisten we nog niets van Facebook,  Hyves of Twitter. We hingen stencils met haar foto op, op het station en op hoeken van straten. Stencils die we weer weghaalden toen het niet meer nodig bleek te zijn. Ik denk meer aan haar nu ik weer actiever ben gaan hardlopen en ik geïnterviewd werd over hardlopen. Ik dacht aan haar toen we een paar dagen gingen snowboarden. Allemaal dingen die we vroeger samen deden. 

Negen jaar. Soms lijkt het lang, soms lijkt het kort. Negen jaar dat is bijna de leeftijd van mijn stoere meissie, die ik voor het eerst voelde trappelen toen ik de enveloppen van de rouwkaarten aan het schrijven was. Het zijn negen jaren waarin ik soms ook een tijdje niet aan haar dacht. Jaren die ik wel met haar had willen delen. Waarin ik ook nog een jochie kreeg en nieuwe lieve vrienden die haar nooit hebben gekend en nooit meer kunnen leren kennen. 

Ze zit weer in mijn hoofd de laatste weken en ik probeer met een glimlach terug te denken aan de mooie, grappige avonturen die we samen hebben meegemaakt. Hoe ze me tijdens onze studententijd als huisgenoot uit bed trok om voor dag en dauw te gaan zwemmen, hoe we samen onze eerste meters op het snowboard maakten, hoe we in diepe zeeën doken en hoe ze keek toen ik vertelde dat ik zwanger was van Keet. Maar hoe veel goede herinneringen er ook zijn, nergens lukt het me om met een glimlach terug te kijken. 

Na negen jaar is het nog altijd het verdriet dat overheerst in plaats van het plezier van het samen geleefde leven. Geen rauw en alles overheersend verdriet meer. Maar wel verdriet van gemis en de zwarte rand die altijd om haar dood heen blijft hangen. En verdriet van onuitgesproken gedachtes en misverstanden. 

Ik wil graag met een glimlach terugdenken. Maar misschien zijn daar nog wel negen jaar voor nodig.


Deze column verscheen eerder op www.mentaalvitaal.nl

maandag 21 januari 2013

It takes a village to live your life

TeunStress komt soms uit onverwachte hoek. Onze auto stopte er vorige week van het ene op het andere moment mee. Ik was met Teun in het ziekenhuis geweest om bloed te prikken en toen ik weg wilde rijden gebeurde er niets. Daar stond ik dan op een regenachtige parkeerplaats met een peuter die net heel hard had gehuild toen het bloed prikken niet lukte en die nog een keer heel hard had gehuild toen bleek dat het beloofde ijsje niet op voorraad was. Autopech komt nooit gelegen. 

De wegenwacht was er gelukkig sneller dan verwacht, maar concludeerde na een paar minuten dat hij niets kon doen. “Er is iets mis met de distributieriem, dit moet de garage doen.” Ik weet niets van auto’s maar bij het woord distributieriem gingen er wel wat bellen rinkelen. Ik was op zijn zachtst gezegd ‘not amused’. Maar goed de auto werd naar de garage gesleept en wij naar huis gebracht. Het probleem was even uit zicht. 

Twee dagen later belde de garage met onheilspellende berichten over kromme kleppen, meer onderzoek nodig, hoge kosten, bla bla bla en wat ze nu verder mochten gaan doen. Ik blokkeerde. Ging op zwart. Ik wil geen kapotte auto, ik wil zeker niet nadenken over kapotte auto’s en ik wil al helemaal geen beslissingen nemen over dingen waar ik geen verstand van heb. Dus belde ik mijn man. Die ook blokkeerde en de aap niet op zijn schouders nam. 

Gelukkig kreeg ik heel even een heldere ingeving: m’n vader! Ik belde het ouderlijk huis. Mijn vader houdt wel van auto’s. Mijn vader is slim en mijn vader houdt van helpen en uitzoeken. Dit was wat ik nodig had. We namen samen wat beslissingen (‘we’ moeten van deze auto af) waardoor ik de situatie weer bijna ging begrijpen. En de volgende dag stond hij op de stoep met een uitdraai en folder van auto’s die zuinig zijn in verbruik en binnen ons bereik lagen. Henno en ik bekeken de folders en waren blij dat iemand anders voor ons alvast wat beslissingen had genomen. 

Een paar dagen later fietsten we zelfs vrolijk door de sneeuw naar de autoboulevard in Overvecht om auto’s te gaan krijgen. Zomaar een ochtendje met z’n tweeën was sowieso een onverwacht cadeautje en eenmaal bij de dealer aangekomen om te zien wat voor ons mogelijk was, kregen we er zowaar lol in. We hielden contact met onze secondant thuis en onder auspiciën van mijn vader was het een paar dagen later allemaal geregeld. Stress weg, kapotte auto weg en een stationwagen rijker.

Vanmorgen fietste ik naar een koffieafspraak in de stad, bij koffiebar The Village en bedacht me hoe fijn het is om hulp te durven vragen. Hoe fijn het is om mensen in je omgeving te hebben die je graag helpen. Dat als je ergens geen verstand van hebt, je het ook niet in je eentje moet gaan uitvogelen. ‘It takes a village to raise a child’ zegt een Afrikaans gezegde. Maar wat ik van deze week vooral leerde was: ‘it takes a village to live your life.’ Wees niet bang om hulp te vragen en aan te nemen. Je leven wordt er een stuk aangenamer van.


Deze blog verscheen eerder op www.mentaalvitaal.nl

dinsdag 16 oktober 2012

Zwetend het weekend in

Vrijdagmiddag 15.00 uur. Ik ben kapot. Wekenlang om 5.30 uur met een luid ‘mama!’ wakker geroepen worden, begint zijn tol te eisen. Al een tijdje. Ik weet het: ‘gebroken nachten zijn killing’ schrijf ik zelf in m’n boek. Met het advies om echt af en toe een powernap te nemen. En dat probeer ik ook. Maar in de drie dagen dat ik mijn tekstwinkel run is dat niet altijd mogelijk en op de dagen met de kids, zijn de slaapmomenten ook nogal schaars. Was ik vorige week nog bomvol energie, deze week voelt alles zwaarder en vermoeiender. 

Ik heb de hele ochtend hard gewerkt aan teksten. Schreef over de kwaliteit van kinderopvang, werkte aan m’n Facebook-pagina voor relaxte moeders en brak mijn hoofd over de in- en verkoop van biologische varkens. Ik heb me laten afleiden door social media en mailtjes, en ben al met al nog redelijk productief geweest. Maar nu gaat het kaarsje langzaam uit. Ik stuur een conceptversie van de tekst over varkensvlees naar de klant, gooi mijn laptop dicht en fiets naar huis. Vastbesloten om mijn sportspullen te pakken en daarna richting Bikram Yoga te gaan. Of is een dutje toch een beter idee? 
Mijn hoofd bonkt en ik voel me onrustig en sip. Spoken in mijn hoofd grijpen hun kans op momenten als deze. Slapen of yoga. Buurvrouw één mailde vanmorgen enthousiast ‘was lekker de Bikram vanochtend’. En toen ik antwoordde dat ik vanmiddag zou gaan tenzij ik instortte antwoordde ze ‘Wel gaan hoor. Daarna voel je je beter.’

Thuis tref ik man en nichtje (tevens buurvrouw twee), terwijl ik met de yogaspullen klaar sta voor vertrek. ‘Hoe gaat het?’ vraagt nichtje/buurvrouw. Verkeerde vraag op het verkeerde moment en ik houd het niet droog. De moeheid en de spoken komen er uit. ‘Misschien moet je toch lekker gaan slapen in plaats van nu in de auto te stappen,’ adviseert nichtje/buurvrouw. Ik twijfel. Wel gaan, niet gaan. Straks stort ik daar in. ‘Ga nou maar gewoon,’ zegt Henno. 

Vrijdagmiddag 15.55 uur. Ik loop langzaam de warme Bikramzaal in, leg mijn matje neer en neem even de tijd om aan de temperatuur van zo’n 39 graden te wennen. Ik ben nu al blij dat ik ben gegaan. Even wat anders. Geen computerscherm, geen kinderen. Alleen ik en twintig andere zwetende mensen. We beginnen de les zoals altijd met een ademhalingsoefening. ‘Verstrengel je handen onder je kin, adem in door je neus, en breng je ellebogen omhoog. Adem uit met wijd open mond, ellebogen omlaag.’ De dikke man naast mij zweet nu al. ‘Concentreer je op je ademhaling. Yoga is all about breathing. Het gaat er niet om of je een houding wel of niet volhoudt. Het is je ademhaling die goed moet zijn.’ Ik voel me al wat geruster en weet dat ik altijd mag gaan zitten. Na de ademhalingsoefening volgen de balansoefeningen, de stretchoefeningen, grondoefeningen, achterwaartse buigingen. 26 oefeningen in totaal, elke keer dezelfde. 
De eerste zweetdruppels volgen snel. Met mijn neus tegen m’n knieën gedrukt zie ik dat het tijd is dat ik mijn benen weer eens scheer. Ik kom langzaam omhoog om naar de volgende houding te gaan. ‘Houd je staande been sterk, span je spieren en houd je gezicht ontspannen.’ Ik glimlach tegen mezelf terwijl ik wiebelig op één been sta en voel me op een vreemde manier relaxed.

Vrijdagmiddag 17.50 uur. Ik loop door de regen naar m’n auto en check mijn telefoon. ‘Hoe was het lief?’ vraagt Henno in een berichtje. Ik sta stil en typ terug ‘dat was superfijn.’ Als herboren stap ik in de auto. Het weekend kan beginnen. Hier kan geen powernap tegenop.


Dit blog schreef ik voor www.mentaalvitaal.nl.

vrijdag 3 augustus 2012

Vakantiespook

Het was een goed jaar. Mijn eerste jaar als zelfstandig ondernemer, het jaar dat m’n boek uitkwam en het jaar dat Teun zich als een gezond eenjarig jongetje ontwikkelde. Ik deed de dingen die ik leuk vond, ontmoette inspirerende mensen, kreeg boeiende opdrachten, ging een steeds volwaardiger salaris verdienen en combineerde dit alles best goed met moederen. Begin juli was het wel zo’n beetje klaar. Tijd voor vakantie. Tijd voor elkaar, voor wat romantiek en hopelijk voor een goed boek.
Althans, dat was het plan.

Het werd Griekenland dit jaar. Geen ingewikkelde reisschema’s of stress over huisjes. We gingen mijn ouders opzoeken, die een appartementje hebben op het Griekse vaste land. Opa Piet stond ons op te wachten op het vliegveld. Het enige wat wij hoefden te doen was in de auto stappen, een uurtje later uitstappen, ons huisje naast het hunne betrekken, de goed gevulde koelkast openen, zwembroeken aandoen en de zee inrollen. Keet was niet uit het water weg te slaan, Teun niet uit de armen van opa. Dit jaar zou het wel goed komen met mij en de zomervakantie.

Tot ik daar te veel over ging nadenken. Nadenken kan ik heel goed. De afgelopen weken, maanden was er eigenlijk geen minuut waarin ik niet nadacht. Over hoe de dag zou lopen, wanneer ik opdracht A zou schrijven, of blog B. Wat ik op de Relax Mama-Facebookpagina zou posten en hoeveel ‘likes’ dat zou opleveren. Over hoe laat ik de kinderen zou ophalen en of ik daarvoor of daarna zou koken. En eerlijk is eerlijk, ik vond het ook allemaal leuk. 

Nu hoefde ik niet na te denken, alle to-do-lijstjes waren weg. Maar mijn hersens waren nog niet gewend aan deze rust, gingen op zoek naar een ander onderwerp en kwamen zo al snel uit op mijn zwakke plek. Mijn achilleshiel. Stemmetjes drongen mijn hoofd binnen. Stemmetjes die ik aanvankelijk heel mindfull probeerde weg te wuiven. Want gedachte zijn ook maar gedachten en je ‘bent niet je gedachte’. Gewoon doen alsof ‘het’ er niet is. En toen ik op dag twee over de boulevard liep om met man en dochter te gaan lunchen kon ik er niet onderuit. Een paniekaanval nam mijn lichaam over. Een steen in m’n buik, m’n armen en benen als verlamd en ondertussen bedenken of ik tzaziki of souvlaki moest bestellen. Man en dochter praatten en lachten honderduit, ik deed een goede poging om mee te doen. Glimlach op mijn hoofd en aandacht erbij houden. Dit waait wel over, ik doe gewoon alsof. Maar gelukkig. Ik besloot op dat moment anders. Met een halfvol bord en het schaamrood op mijn kaken bekende ik manlief dat ik ‘het’ weer had. Mijn vakantiefobie. Ik heb altijd wel even tijd nodig gehad om er een beetje in te komen, had als klein meisje last van heimwee, maar sinds ik in 2006 een keer goed ingestort ben geweest op vakantie heeft dit ‘wennen’ zich ontwikkeld tot een heuse angststoornis. Een spook dat zich zo nu en dan weer eens aandient. Een angst die ik stom en belachelijk vind en waar ik me best voor schaam. Want vakantie is juist leuk en wie is er nou bang voor vakantie? 

We zijn een week verder. En inmiddels ben ik best trots op mezelf. Want het heeft deze keer maar een dag of twee geduurd. Het uitspreken bleek het halve werk. Of misschien was dat de hele truc. Niet doen alsof en hopen dat het overwaait. Serieus bijslapen hielp ook. En een man hebben die snapt wat angst is, lief is én je een keer heel streng toespreekt mag je ook niet onderschatten. 

Tijd dus nu om m’n computer dicht te klappen en vakantie te gaan vieren. Want dat kan ik namelijk heel goed. En met die romantiek schijnt het ook nog goed te komen…


Dit blog verscheen eerder op www.mentaalvitaal.nl, waar ik sinds kort een maandelijkse column heb.
 

maandag 5 december 2011

Kogel

“Mam, ik voel me soms een beetje eenzaam,” zegt Keet als ik haar naar bed breng.
“Ja meid, dat hebben we allemaal wel eens, ” antwoord ik korzelig. “Dat hoort een beetje bij het leven hè.”
Keet gaat nogal lastig slapen en heeft voor het slapen vaak opeens last van buikpijn, groeipijn, hoofdpijn of andere zaken waar ik de rest van de dag nog niets van heb gemerkt. Of ze heeft plots nog honger of dorst, is vergeten te plassen, handen te wassen of is ineens iets heel belangrijks kwijt waar ze dan ter plekke heel verdrietig over is. En vandaag is ze dus ‘soms een beetje eenzaam’. Dat kan natuurlijk. En ik heb zin om in te storten op de bank.
Ze kruipt onder haar dekbed en ik ga nog even naast haar liggen. Iets in mij zegt toch, dat mijn reactie wellicht wat bot en kort door de bocht was. Eenzaamheid, daar heb ik haar nog niet eerder over gehoord. Wel klaagt ze sinds een paar weken over een kogel in haar buik. Althans zo hebben we de buikpijn genoemd waar ze sinds kort last van heeft. Een buikpijn die niet komt doordat ze nog naar de wc moet, of door buikgriep, maar de buikpijn die je hebt als je je ergens druk over maakt. Ging ze eerst elke dag huppelend naar school en in de zomervakantie zonder problemen in haar eentje twee weken met opa en oma naar Griekenland, nu was er opeens die kogel. En de bijbehorende nieuwe eenkennigheid. Ik liet haar huilend achter bij de opvang en een kinderfeestje. Ze zag er tegenop om naar school te gaan en zelfs bij haar opa en oma (ja diezelfde) wilde ze niet dat ik wegging (om vervolgens zodra ik weg was een hele leuke tijd te hebben).
Goed. Een nieuwe fase dus. Wat te doen met een dochter van zeven die eventjes niet goed in haar vel zit.
Is hier iets serieus aan de hand? Een probleem op school waar wij nog niets van afweten? Wordt ze gepest? Krijgt ze thuis niet genoeg aandacht nu er een broertje bij is? Ze kan het zelf nog niet zo goed uitleggen. Geeft in ieder geval aan dat ze niet gepest wordt. Ik gooi nog wat balletjes op, maar de werkelijke reden van de kogel wordt me niet helemaal duidelijk. Dan gooi ik het maar over een andere boeg. We weten misschien niet waar het vandaan komt, maar we kunnen wel kijken hoe we er mee om kunnen gaan. Dus bestel ik een boekje over mindfulness voor kinderen en ’s avonds oefenen we met ademhalen en gedachtes laten wegdrijven. De oefeningen verwateren al na een keer of vier, maar toch heeft het geholpen om te leren dat gedachtes maar gedachtes zijn die je niet per se serieus hoeft te nemen. En dat lijkt al wat te helpen. En het lukt haar ook steeds wat beter om toch onder woorden te brengen wat ze niet leuk vindt. En nu is ze dus soms een beetje eenzaam.
“Waneer is dat dan?” vraag ik haar. En dan vertelt ze dat de andere kinderen tijdens de overblijf soms ruzie maken en dat zij dan niet meedoet en dat die kinderen dan soms dingen tegen de juf zeggen die niet waar zijn. En dat vindt ze dan niet eerlijk, maar dat durft ze dan niet te zeggen. Alhoewel ze die andere kinderen ook het liefst zou willen beschermen. En eigenlijk het liefst iedereen wel wil beschermen.
Wat een echte problemen al. Over loyaliteit. Over eerlijkheid Over vriendschap en er voor elkaar zijn. Daar zou ik ook buikpijn van krijgen. Sterker nog daar heb ik regelmatig buikpijn over gehad. Alleen noemde ik het geen kogel, maar een worm. En was ik in de dertig toen ik dat leerde te benoemen en is zij zeven.

donderdag 20 januari 2011

Helm

Nadat ik een jaar niets op dit blog heb gezet, ga ik nu weer van start. Met lichte koudwatervrees, dat wel. En als start eerst maar eens een verwerking van het afgelopen jaar. Het is me niet gelukt het in 500 woorden te proppen. Dat doe ik de volgende keer weer.

Helm

Een helm. Nu moet je weer een helm. Een half jaar lang. 23 uur per dag. En als je 1 jaar wordt heb je dan een mooi rond hoofd.
Je komst was behoorlijk onverwacht voor ons. We hadden niet meer gedacht dat Keet nog een broertje of zusje zou krijgen. Dus de positieve zwangerschapstest op kerstavond was een topgeschenk. En je had meer verrassingen voor ons in petto. Op de eerste echo wilde je niet verschijnen. De onervaren verloskundige kreeg je niet in beeld. Maar een halve week later zagen we toch echt een hartje. Je was er echt.
Tijdens de 20-weken echo bleek je tot onze verrassing een jochie te zijn. Dat we ook jongens konden maken, dat hadden we niet verwacht! De rest van de echo bleek minder leuk. Dr. Zuurpruim werd steeds stiller en eindigde met de conclusie dat hij ‘een niet-goed-pluis-gevoel bij dit kindje kreeg’ en regelde snel een second-opinion-echo in het WKZ. Score: één klompvoet, één extra holle ader bij het hart, iets verweidde nieren en een slagader minder bij de navelstreng. Los van elkaar geen onoverkomelijke afwijkingen. Maar tja, in combinatie met elkaar zou het op een syndroom kunnen duiden. Toch maar een ruggenprik dan en een paar weken in spanning. Tot we op een Spaans eiland het verlossende telefoontje kregen: geen syndroom. We konden weer ademhalen en verder met zwangeren.
Een paar maanden later. De uitgerekende datum komt in zicht en jij lijkt geen haast te hebben. Met je hoofd in m’n ene zij en je billen in de andere lijk je heerlijk dwars je plek gevonden te hebben. Een dwarsligger. Als dat zo blijft wordt natuurlijk bevallen lastig. Zeg maar onmogelijk. H. en ik proberen alles om je te laten draaien. Elke avond proberen we je aan het draaien te krijgen door Chinese wierookstokjes tegen een accupunctuur-punt op mijn kleine teen te houden, lig ik op m’n kop tv te kijken, trek baantjes in het doelgroepenbad en probeert de gynaecoloog je –met harde hand- te draaien. Maar ook dit mocht niet baten, het levert alleen een blauwe buik op. Op 18 augustus breken de vliezen en kom je in de operatiekamer overdwars uit de keizersnee in mijn buik. Met moeite, want je hoofd zit vacuümgetrokken in mijn baarmoeder en eenmaal eruit heb je de eerste minuut ook nog moeite om op gang te komen. Maar je redt het. Je huilt. Je beweegt. Je leeft en je bent lief. En snel weg. Want jij moet nog een uurtje de couveuse in en ik moet worden dichtgenaaid.
Nog net geen 24 uur oud, krijg je je eerste gipsen pootje. Want die rechtervoet staat inderdaad behoorlijk scheef. ‘Maar’, zegt de orthopeed, ‘hij is goed redresseerbaar.’ Een opluchting. Dat gaat helemaal goed komen met dat gekke voetje van je.
Met gips en al mogen we drie dagen later naar huis. Het gezin is compleet. Het thuiskomen een feest. En volgens de kinderarts ben je helemaal gezond. Alleen dat voetje is nog over. Ik begin langzaam een beetje vertrouwen te krijgen.
Tot H. mij een week later -op zijn verjaardag- wakker maakt na een middagdutje.
‘De uitslag van de hielprik is helemaal niet goed.’
Beng. M’n hart in mijn keel. H. heeft een brief van het RIVM in zijn handen waarop staat dat de uitslag op de schildklierziekte ‘dubieus’ is. Je moet opnieuw geprikt worden. Het hoeft nog niets te zeggen. Maar na het weekend zitten we toch weer in het ziekenhuis. De waarde van het schildklierhormoon is niet oké. Nog niet zo slecht dat er al problemen zijn met de ontwikkeling van je hersenen, maar wel afwijkend genoeg om verder onderzoek te doen. We mogen daarom in het ziekenhuis blijven. Echo’s, scans en heel veel prikken later blijk je in ieder geval een schildklier te hebben. Blijkt hij op de goede plek te zitten en blijkt hij te werken! Alleen iets trager dan normaal. Iets om in de gaten te houden, maar niet iets waar we nu iets tegen moeten doen.
En passant is in het ziekenhuis nog wel een hartruis geconstateerd, die wijst op een gaatje in het hart. Ach, een gaatje, dat kennen we al van je zus. En dat bleek toen ook reuze mee te vallen.
Maar als we een paar weken later bij de cardioloog zitten en hij ons serieus aankijkt weten we al dat het mis zit. Geen één gaatje in je hart, maar drie, waarvan één grote. Een serieuze afwijking, waarvoor je hoogstwaarschijnlijk binnen enkele weken moet worden geopereerd. Dit is de mokerslag die blijkbaar nog moest komen. Die avond zitten we compleet verslagen op de bank. De koek is op. We trekken het niet meer. De paniek is groter dan hij tot nu toe is geweest. Een hartoperatie voor ons jochie. Veel enger kon het niet worden.
We zijn inmiddels drie maanden verder. Je schildklierwaardes zijn uit zichzelf naar normaal bewogen en je bloed hoeft niet meer zo vaak geprikt te worden. Je hart doet het beter dan de cardioloog had kunnen denken. De operatie is op de lange baan geschoven en de volgende controle staat pas over 5 maanden gepland. Je voet staat inmiddels mooi recht en je gips is een brace geworden die er een paar uur per dag af mag. Het gaat goed. Je groeit als kool en je bent een vrolijk, vriendelijk, makkelijk en superlief mannetje.
En nu heb je dan dat scheve hoofd. Waarschijnlijk heb je te veel op je rechterkant gelegen. De kant van je gips. Want die kant is behoorlijk plat. En natuurlijk hebben we de afgelopen weken geprobeerd het te verhelpen. Door je op je linkerkant te leggen. Door je vooral links te stimuleren. En het lijkt echt wel wat minder scheef te zijn geworden.
Maar ook dit mocht niet baten. Toen je hoofd maandag door de hoofdendokter werd gemeten, bleek je (met een ODDI-score van 111,6) aan de hoge kant van de categorie ‘ernstig’ te zitten en kom je in aanmerking voor een redressiehelm.
De hoofdendokter benadrukt ons dat zo’n scheef hoofd geen ernstig medisch probleem is, maar slechts een cosmetische afwijking is. En dat ze bij deze scheefheid normaal gesproken een helm aanraden. Maar omdat jij al zoveel hebt, we dit echt zelf moeten beslissen.
En zonder overleg weten wij genoeg. Die helm moet er ook maar komen. Als je net zo ijdel wordt als je vader en net zo kaal als je beide opa’s ben jij later niet blij met een scheve kop. En zonder helm zullen wij ons de komende weken blijven afvragen of jij wel op je goede kant ligt en of we wel de goede beslissing hebben genomen.
En zo zit ik deze week opeens een folder van de helmenmakers te lezen. Dat er in Nederland ieder jaar circa 20.000 kinderen worden geboren met een ‘schedelafwijking’. Dat 25% daarvan niet spontaan heelt en in aanmerking komt voor een redressiehelm. Maar natuurlijk zit jij daar bij.
Een half jaar, 23 uur per dag een helm op. Het is het minst ernstige probleem van de afgelopen maanden. Maar dit keer wel nogal zichtbaar.
Goh jongen, je hebt het ons niet makkelijk gemaakt het afgelopen jaar. En als ik dit over zou kunnen doen……. dan zou ik het zo weer doen! Sterker nog. Ik zou er stiekem nog wel zo één willen! Met of zonder helm.

woensdag 12 augustus 2009

Vakantiestress

Ik hou van vakantie. Van reizen, vliegtuigen, treinen, andere landen, vreemde culturen, campings, hostels, en zo blijkt nu: ook van kindvriendelijke vakantieparkjes met zwembad.
Toch was ik tijdens mijn laatste vakanties, hoewel fantastisch ingevuld, niet op mijn gelukkigst. In 2006 ontdekte ik in Bali dat ik nodig aan mezelf moest werken en lag gestrest onder een palmboom. In 2007, Griekenland, was dat proces nog gaande en bleek dat aan jezelf werken dieper gaat dan ik kon bevroeden. En vorig jaar in Frankrijk moesten er nog een paar losse eindjes aan elkaar worden geknoopt. Tijdens onze vakanties kwam dit alles er in volle overgave uit. En zo wist ik ook ons romantische weekendje Madrid aardig te verknoeien.
Maar dit jaar was alles anders. Ik ben tenslotte herboren. Ben angsten aangegaan, heb dalen overwonnen en zo mezelf opnieuw ontdekt. Bovendien heb ik geleerd dat zeker de helft van de mensen die op vakantie gaat enige vorm van stress ondervindt, dus ook daar zal ik me niet door van de wijs laten brengen. Om ook die gebruikelijke vakantiestress te beperken had ik me degelijk voorbereid. Vluchten geboekt, appartementen geregeld. Alles gedocumenteerd, al een weekje eerder vrij genomen. Hoe georganiseerd kun je zijn. Dat was blijkbaar ook de nieuwe ik: “Miss organised”. Ik, die stoere, die van “wat we niet bij ons hebben lenen we van de leuke buurjongens”.
En zie hier hoe relaxed ik op dit moment op mijn balkonnetje in Portugal zit. Laptopje op schoot. Biertje naast me. Vakantie zoals vakantie hoort te zijn. Lopen is slenteren geworden, ontbijten uit eten.
Ik kan het weer! Vakantie vieren!
Het is deze zomer maar één weekje misgegaan. Maar gelukkig hebben we van die week de foto’s nog. Want hoewel ik lichamelijk wel in Portugal was aangekomen, mijn ziel wilde nog niet meekomen. Ik zat nog in mijn eigen hoofd en was me continu aan het afvragen hoe ik me voelde, óf ik al iets voelde. En ja! Daar was het: het “waar-moet-ik-naar-toe-met-mijn-lijf-gevoel”. Surprise, surprise: self fulfilling prophecy in vol ornaat.
Dit was niet de bedoeling. Ik had geen heimwee, vliegangst, smetvrees of angst voor vreemde dieren. Maar wel buikpijn. En toch: ik wilde hier wel zijn, en niet liever in Utrecht. En ik wilde zeker geen vakantiefobie. Deze vicieuze cirkel moest doorbroken worden. Dit ging me niet nog een jaar gebeuren. Als het niet goedschiks ging, dan maar kwaadschiks. Ik kon me best een steuntje in de rug permitteren.
Dus zo kon het gebeuren dat er op een dag een Portugese dokter in mijn luxe appartement zat. Hij keek me serieus aan, stelde aardige vragen, mat mijn hartslag en bloeddruk, schreef een receptje uit en toverde voor de eerste dagen een paar blauwe pilletjes uit zijn binnenzak. Advies: voor het slapen gaan één hele nemen en daarna in geval van nood een kwart of half pilletje. En het hielp. Ik sliep die nacht als een roos tot 9 uur uit. En SLAAP was blijkbaar een wondermiddel. In de dagen daarna heb ik af en toe een kwart pil genomen, maar mijn wonderbaarlijke genezing ging snel. De cirkel was doorbroken en de pillen na een paar dagen niet meer nodig. Ik was trots op mezelf.
Het wordt wat warm op ons balkonnetje. Tijd om naar het strand te gaan. Tijd voor verse sardientjes. Ik wou dat we een paar weken bij konden boeken.

dinsdag 5 mei 2009

Ploeteren

Soms heb je zo’n dag waarop je je gewoon rot voelt. Soms duurt het een week. Of langer. Soms weet je waar het aan ligt. Soms niet. Dan voel je dat er wat is, maar kijk je gewoon over de oorzaak heen. Ook al staat hij voor je neus. Althans dat heb ik nogal eens.
Maar nu niet. Nu voel ik me goed. Nu lach en straal ik zeker al weer twee weken. Zelfs als mijn auto een lekke band blijkt te hebben.
Maar goed. Op die dagen dat ik het leven ingewikkelder vind, helpt het om te weten dat je niet de enige bent die door het leven ploetert. Ik zie eigenlijk iedereen om heen zoeken, vinden, kwijtraken, vasthouden en loslaten. En dat maakt dat je je eigen gedachtespinsels weer wat kunt relativeren. Het hoort er blijkbaar bij.
Op zo’n ploeterdag kun je beter niet gaan Twitteren. Want op Twitter lijkt het leven altijd goed te gaan. Op Twitter heeft iedereen een leuke Koninginnedag gehad. Op Twitter zitten we allemaal bij mooi weer wijn te drinken op het terras en hebben onze kinderen alleen maar leuke kanten. Als je Twittert lacht het leven je toe. Op Twitter wordt niet geploeterd. Twitter is de etalage van het leven. Op Twitter heeft iedereen op jouw slechte momenten een leuker leven dan jij.
Daarom stel ik voor dat we naast Twitteren ook eens met zijn allen gaan Ploeteren. Op www.ploeter.com. Een plek waar je heen kunt als je je liever onder je dekbed wilt verstoppen (wat dan eigenlijk niet helpt). Waar je je hand kunt uitsteken. Waar iemand je hand kan vastpakken en zeggen dat het wel meevalt.
Zo’n Ploetersite kan er dan ongeveer zo uit komen te zien:
Me Sta nu bij het graf van I. Veel bloemen. 13 april 14.32 uur
Me Ben op weg naar begraafplaats. Zitten enorm te brullen in de auto. 13 april 14.00 uur
XX Kogel is door de kerk. We gaan toch scheiden. Kinderen inlichten. 12 april 10.57 uur
YY Kuthormonen zouden bijna mijn relatie verpesten. 12 april 09.39 uur
ZZ Voel me rot en alleen en niemand belt me 11 april 22.13 uur
PP Ben toch niet (meer) zwanger ;-( 11 april 19.54 uur
QQ Help! 11 april 17.42 uur
XX Probeer huwelijk te redden, maar weet niet hoe 11 april 13.18 uur

Of zullen we maar gewoon in ons eentje blijven doorploeteren. Tot we er weer vertrouwen in hebben. Tot we weer klaar zijn om onze grappigste, slimste en hipste kant in de etalage te zetten. Tja. Boeiend. Al dat getwitter. ’t Is net echt.

zondag 29 maart 2009

Het mooiste meisje van de klas

Beste Jaap Jongbloed,
Ik was zes toen het mooiste meisje van de klas en ik vriendinnetjes werden. We zaten op onze eerste schooldag naast elkaar en waren vanaf toen beste vriendinnen. Ze was schattig, blond en klein en alle jongens waren verliefd op haar. Ze kon goed dansen en goed sporten. Ze zoende al met jongens, toen ik dat nog lang niet durfde. We waren dertien toen we als John Travolta en Olivia Newton John de eerste prijs wonnen van de lokale talentenjacht. Ik was John.
Toen we 16 waren, ging ze mee op vakantie naar Riccione. De Italiaanse jongens riepen haar na op de boulevard. Zij kwam gratis de dure discotheek in, en ik mocht mee naar binnen.
Daarna liepen onze paden steeds verder uit elkaar. Maar we verloren elkaar nooit helemaal uit het oog. Ik ging studeren in Utrecht en zij werken in een Amsterdams grand café. Ik stapelde er een studie bovenop, zij werd vertegenwoordiger. Ik vond mijn draai in wat ik deed, zij bleef zoekende. Ze vond het niet in Nederland, en zocht het in verre oorden. Werd “Gentil Organisateur” bij Club Med en belandde op exotische plekken.
Onze beider liefdeslevens verliepen in die tijd niet over rozen. We bleven allebei zoekende, daarin herkenden we elkaar. De verliefde jongens uit de klas zaten eigenlijk nooit in haar “league”. Het lukte haar altijd om met een verrassender exemplaar te komen. Op de middelbare school kaapte ze de langharige F. uit de hechte Molukse gemeenschap. In Amsterdam kreeg ze niets met de collega uit het grand café, maar met de getrouwde en twintig jaar oudere horecabaas.
Ook de zonnige oorden bracht haar niet het gewenste leven. Ze probeerde het nog een tijdje bij haar Amerikaanse vriendje in Lake Taho, bij haar vader in Rotterdam, toch weer bij Club Med en in de suburbs van Parijs.
We troffen elkaar niet vaak. Soms met maanden er tussen. Soms jaren. Soms kwam ze niet opdagen. Soms kwam ze toch. Uren later. Soms had ze toch maar even geblowd voor ze kwam. En toen hoorde ik heel lang niets van haar. Ze was opgenomen geweest. De combinatie van drank, drugs en de erfelijke manisch depressiviteit bleken bijna fataal. De eerste keer dat ik haar weer trof, zag ik een nerveuze, door de medicijnen opgezwollen vrouw met bruine tanden. We aten samen pizza en op de terugweg naar huis huilde ik heel hard.
Beste Jaap, het schijnt nu weer goed te gaan met het mooiste meisje van de klas. Zij woont in Suriname. Afgekickt van drank en drugs is ze haar nieuwe liefde achterna gegaan. Ze gaat over drie weken trouwen. Een happy ending after all? Haar prins op het witte paard is een oudere man met snor en gleufhoed. Een man met zeven kinderen in Suriname en Nederland. Ik hoop dat hij lief voor haar is. En blijft.
Wat denk je: zou dit mijn mooiste meisje uit de klas goeie televisie kunnen opleveren?

dinsdag 25 december 2007

Voelen

Er zijn een paar plekken waar ik altijd aan I. moet denken. Het zijn op zich rare nietszeggende plekken. Zoals bij knooppunt Holendrecht op de A2. Of op de hoek van de Kroesenlaan. Of als ik met hardlopen de bocht om ga en langs het kanaal loop. Het zijn niet echt plekken waar iets leuks of bijzonders is gebeurd. Het zijn wel plekken waar ik of met haar een keer was, of zoals op de A2, met haar aan de telefoon hing. Maar goed, ik heb zo vaak met I. aan de telefoon gehangen. Zouden we op dat moment net iets bijzonders hebben besproken? Toen we langs het kanaal aan het lopen waren, hebben we het gehad over I's vriendin M. Die op ons altijd nogal neurotisch is overgekomen. Wat hebben we er die middag over besproken? Ik weet het niet meer. Ik weet wel dat het voor ons soms moeilijk te begrijpen was. En kijk ons nu eens. De een begint op haar 36e eens te begrijpen dat ze zelf misschien wel neurotischer is dan ze zelf wist. De ander is al weer twee jaar en acht maanden dood. Omdat ze haar eigen angsten niet meer onder ogen kon zien.
Twee jaar en acht maanden geleden. We zaten met een klein clubje aan een paasontbijt bij D. Niet omdat het Pasen was, maar omdat I. al een dag en een nacht verdwenen was en we toch ergens moesten wachten op nieuws. En dat nieuws kwam. Op H’s telefoon. Hij nam zijn telefoon op en ik hoorde hem zeggen “het is voorbij.” We vielen allemaal in elkaars armen. Ergens in de verte hoorde ik D. gillen en in mij klapte er een hele dikke kluisdeur dicht. Ik was leeg. Voelde niets meer. Was een lichaam zonder inhoud.
Als een robot ben ik de week daarna doorgekomen. Liet I’s ouders de rouwkaart van hun dochter goedkeuren en wist dat dat heel hard voor ze moest zijn. Ik schreef een speech voor de begrafenis en las ‘m voor. En wist dat dat heel moeilijk moest zijn. Ik zag haar kist de grond ingaan. Keek naar haar foto. En voelde niets. Ik wist wel dat het verdriet zou komen als ik daar klaar voor was en dat gebeurde ook. In de weken, de maanden en de twee jaren die volgden. Maar ik wist niet dat ik ook dichter bij haar angsten zou komen. En dat ik haar tweeëneenhalf jaar na dato alsnog beter zou gaan begrijpen. En dat ik meer kon voelen. En dat dat inderdaad heel beangstigend kan zijn. Dat gedachten met je aan de haal kunnen gaan. En dat je juist op dat moment je hand moet uitsteken naar iemand van wie je houdt. Dat je je blootgeeft op je meest kwetsbare moment. En dat je je daarna beter voelt en weer kan ademen en kan leven. Ik wou dat ik dit alles drie jaar geleden al wist. Ik wou dat ik dit nu met I. kon bespreken, nee kon doorvoelen.

maandag 23 april 2007

Verbondenheid

Soms lees of hoor je een zinnetje dat je even bij blijft en waar je af en toe over nadenkt of van leert. Zo was dat vorige maand de zin Stel het is oorlog, en niemand ging er heen, die ik tegenkwam in het boek “Uit je hoofd in het leven”. Er werd mee geïllustreerd hoe je (anders) met je eigen gedachten kunt omgaan. Zo galmde in H’s hoofd de laatste weken steeds de quote Can everybody stop getting shot!? (uit de film “Lock, stock and two smoking barrels”). En zo las ik op de site van mijn haptotherapiepraktijk dat haptotherapie gaat over leven in verbondenheid. Ook die bleef me een tijdje achtervolgen. Het klinkt zo mooi. Dat is wat ik wil. Dat ene zinnetje vat voor mij samen waar ik op moet letten. Want als je te veel in je eigen hoofd zit, niet eerlijk tegen jezelf en anderen bent over hoe je het eigenlijk wilt, dan kun je ook niet echt samen leven. Dan praat je over koetjes en kalfjes terwijl er eigenlijk hele andere dingen in je hoofd spelen.
Eind maart ging ik uit eten met K. Ik had geen zin, want zoals The Shins zingen there’s no connection. Geen zin is een understatement. Ik was gespannen toen ik naar K. fietste. En dat was ik eigenlijk al een paar dagen. Want mijn nieuw verworven inzichten, behoeftes en blootliggende gevoelsleven laten mij niet meer gaan met een dergelijke situatie. Dus moest ik een grote meid zijn en zeggen wat me dwars zat. Zodat er weer contact kan zijn. En natuurlijk werkte het ook zo. Terwijl we naar Restaurant Leen lopen, vertel ik met horten en stoten dat ik van haar baal en dat ik pissig ben (ha een nieuwe ervaring: boos zijn! Voelt best lekker eigenlijk). Al voordat we bij Leen zijn aangekomen is er al een heleboel verhelderd. We drinken eerst een biertje op het terras (eind maart!) en praten over de dingen die er toe doen in het leven. Over vriendschap. Over zorgvuldig met elkaar omgaan. Over lief zijn voor elkaar. Over echt oog voor elkaar hebben. Over leven in verbondenheid.
Maar zo makkelijk is het niet om te leven in verbondenheid. Dat zie ik bij mezelf en bij zo veel anderen om me heen. We verzwijgen dingen omdat het vaak eng is om te vertellen wat er echt in je omgaat. Omdat je gewoon gezellig wilt zijn en niet de chagrijn. Zelfs terwijl je heus wel weet dat het effect van je uiting positiever is dan het verzwijgen.
Ik ben aan het leren. Ik moet dit onder de knie krijgen, want mijn muur is gevallen. Ik kan me niet meer verschuilen. A stronger girl would shake this off in flight, and never give it more than a frowning hour, but you have had your heart decide….(alweer The Shins). Ik heb een harde leermeester gekregen. Mezelf. Ik wens iedereen op z’n tijd zo’n leermeester toe. Zodat er ook echt ruimte is voor koetjes en kalfjes.

zaterdag 17 februari 2007

Onderweg

Je rijdt over de snelweg. Passeert een herkenningspunt en opeens realiseer je je dat je een heel stuk hebt gemist. Ergens anders met je gedachte, heb je op de automatische piloot een plek bereikt, zonder dat je weet hoe je er gekomen bent.
Deze zomer ontdekte ik ook dat ik op de verkeerde plek was beland. Dat ik in Bali was, dat klopte. Die reis hadden we geboekt en naar uitgekeken. Maar in plaats van relaxed onder een palmboom te liggen, lag ik op bed omdat ik me ‘niet zo lekker’ voelde. Een jetlag? Te weinig gedronken? Maar die opties pikte H. niet: “ga jij maar eens nadenken, want je voelt je de laatste tijd heel vaak ‘niet zo lekker’.” Ik plof neer op mijn hotelbed, niet wetend waar ik met mezelf naar toe moet. Maar ik ga nadenken. En realiseer me opeens wat ik voel: stress! M’n lijf staat stijf van de zenuwen. Langzaam begin ik me die week dingen te realiseren. Begin in te zien dat ik de afgelopen maanden misschien mezelf wat voorbij ben gelopen. Dat ik dingen ben gaan doen op H.’s manier in plaats van mijn eigen manier. Dat ik me meer naar Keet ben gaan schikken dan goed voor me was. En dat ik dit alles niet heb gecommuniceerd. Ik dacht namelijk dat ik alles prima op orde had. Alles onder controle. Alles goed geregeld. Voor iedereen. Maar misschien niet voor mezelf. En het gevoel ging die week niet weg. Iedere ochtend werd ik gespannen wakker. Something took over. Het was alsof een worm zich in mijn lijf had genesteld.
En toen moest ik dus wel gaan nadenken. En begonnen er wat kwartjes te vallen.
Altijd heb ik geweten dat je eerst moet zorgen dat je zelf gelukkig bent, voordat je anderen gelukkig kunt maken. Voor jezelf kiezen, dat is belangrijk. Dat was mijn geloof. Maar in Bali en in de weken daarna bleek dat ik iemand was geworden die ik nooit had willen zijn. Sterker nog, ik was veranderd in ‘my worst nightmare’.
Terug uit Bali begon mijn verdere zoektocht. Er werd mij gevraagd wat ik nou vooral leuk vond om voor mezelf te doen. Ik stond met mijn mond vol tanden. Ik kreeg de vraag wanneer ik voor de laatste keer boos was op iemand. Ik wist het niet. Ben eigenlijk nooit boos. Liet mijn eigen gevoel overschaduwen door begrip voor anderen. En zo gebeurde het dat er uiteindelijk maar een klein stukje van mezelf over was. Hoe was ik hier in godsnaam terecht gekomen?
Gelukkig hebben mijn eigen lijf en de worm, me hardhandig wakker geschut. De worm en ik zijn nog steeds geen vrienden, vooral niet omdat hij soms veranderd in een monster. Maar ik ga hem wel steeds meer waarderen (en accepteren?). En ik weet zeker dat we samen het monster kunnen uitroeien. De worm houdt me nu in ieder geval wakker tijdens mijn reis. Zodat ik zeker op de plek van bestemming kom.

vrijdag 8 december 2006

Tanig

Scène 1. Plaats: Italië, Adriatische kust. Een moeder zit te eten met haar twee tienerdochters.
Scène 2. Plaats: Oostenrijk, Tirol. Een camping en een ingesneeuwde caravan in Oostenrijk. De moeder, dochters en het vriendje van de oudste graven de caravan uit en zoeken de voordeur.
De moeder en de dochters doen het goed. Er is geen vader bij, maar met z’n drieën hebben ze het ook goed naar hun zin. “Ze komen niets te kort, ze hebben alles…”
Dacht ik.
En zo ben je opeens twintig jaar verder. En zit je tegenover een haptotherapeute. Die je redelijk voor de hand liggende vragen stelt over je jeugd. “Wat herinner je je vooral van die tijd? Wat voor soort kind was je?” De antwoorden zijn niet altijd even logisch en gestructureerd. Maar dat hoeft hier niet, ik zit niet op mijn werk, geef geen presentatie. Ik zeg vooral wat er aan herinneringen omhoog plopt. Eén van de dingen die ter sprake komt is een uitspraak van mijn vader: “Eerst denken, dan doen”. Vervolgvraag: “Heb je nu in je eigen gezin ook van die typische uitspraken die bij jullie gezinnetje horen?” Ik denk na. Geen typische uitspraken, maar wel onze geheime teken voor “luv joe”, ons eigen liedje, onze flauwe grapjes, onze belachelijke bijnamen, verbasterde woorden en zinnen. Onze eigen cultuur. We zijn wel ons eigen eenheidje, een eigen lichaam, dat lekker functioneert. Veilig en vertrouwd.
Mijn uur zit er op. Er is veel besproken. Ik fiets naar huis, rij vervolgens naar mijn werk en laat mijn herinneringen en gedachten even voor wat ze zijn. Maar gedurende de week spinnen ze als verdwaalde puzzelstukjes in mijn hoofd. We hebben zo veel verschillende dingen besproken en ook zoveel wat met elkaar te maken heeft. Het is druk in mijn hoofd. De gedachten gaan met me aan de haal. De puzzel is nog niet in elkaar gevallen.
Ik zie de moeder en de dochters weer, tijdens de vakanties naar Italië en Oostenrijk. Ik kijk naar ze, alsof ik er een beetje boven zweef. Het plaatje klopt niet. Het wringt. Het voelt geamputeerd. Het gezin is niet de eenheid die het hoorde te zijn. Maar de moeder en de dochters gedragen zich kranig. Ook met één been gaat het leven gewoon door. Ons krijg je er niet onder. We hebben ons altijd kranig gedragen.
Ik begin de puzzel te begrijpen.
“Je voelt een beetje, ja hoe zal ik het zeggen….” zei D. één van de eerste keren dat ik op de haptotafel lag. “Je voelt een beetje tanig. Niet zacht.” Ik herken het nu. Zoals ik tijdens mijn puberjaren gewend was, zo heb ik de afgelopen jaren doorgeleefd. Er is behoorlijk wat gebeurd, maar ik heb me er goed doorheengeslagen. Dacht ik. Maar niets bleek minder waar toen ik vol stress op een palmenstrand in Bali zat. Niet wetend waar ik het zoeken moest. Het tanige lijf had het gehad. En langzaam begin ik het te begrijpen: het is tijd om te smelten.

maandag 4 december 2006

Vuong

Het restaurant is hot. Schijnt. Onze outfits nauwkeurig bij elkaar gezocht. Ik voel me goed in m’n te dure nieuwe jurk. Daar ligt het niet aan. We wachten al een tijdje op onze hippe drankjes. We zijn bijna compleet. Eindelijk weer een keer een etentje met m’n vriendinnen. Of zoals Keet de volgende dag tegen oma zou zeggen: mamma is bloemetjes plukken met D. en C. Er vliegen allerlei gespreksonderwerpen over tafel. Daar zijn eindelijk onze drankjes. En ook H. arriveert. En we kunnen alsnog met z’n zessen aan de tafel zitten die we eigenlijk hadden gereserveerd.
We settelen ons in ons nieuwe hoekje, oftewel in de “booth” en bestellen Aziatische hapjes (of is het ‘fingerfood’?). Ik kan me steeds slechter concentreren op de gesprekken in de booth. Tot een half uur geleden ging het best goed, plaatste ik hier en daar nog een scherpe opmerking of kon ik nog een bijdrage leveren aan een gesprek. Maar langzamerhand glijden er allerlei gedachten van de afgelopen week m’n hoofd in. M’n vriendinnen veranderen in pratende hoofden, ik kan het niet meer opbrengen om de gesprekken te volgen. Zien ze dan niet dat ik me rot voel? Iedereen weet toch dat het niet goed gaat? Waarom vraagt niemand iets?
Toen ik een paar weken geleden voor het eerst op de tafel van de haptotherapeute lag, vroeg ze me of ik vond dat ik voldoende ruimte innam. Ik begreep niet helemaal wat ze bedoelde. “Ik vind dat je er een beetje iel bijligt”, zei ze. “Je mag wel wat meer ruimte innemen, wat ruimer in je vel zitten.”
Opeens begrijp ik wat ze bedoelde. Ik heb het benauwd, heb geen ruimte. Heb het gevoel dat ik hier net zo goed niet had kunnen zijn. Maar wat nu? Ik ga hier toch niet opeens tussen de suhsi en sashimi door mijn klotegevoel in de groep gooien. Ik wurm me uit de booth om even naar de wc te gaan. Kan de deurklink niet vinden (behoort niet bij het design). Probeer mezelf op de wc bij elkaar te rapen, zoek bijna vijf minuten naar de designknop om door te spoelen en loop terug. Het heeft niet geholpen.
En dan is het alsof iemand het ventiel uit mijn te hard opgepompte band trekt. B. vraagt hoe het gaat met de haptotherapie. Ik weet niet meer wat ik antwoordde maar weet wel dat er bijna direct tranen volgen. Ik snotter weg in m’n hoekje, laat m’n hoofd leeglopen bij B. die ik al een half jaar niet heb gezien en voel me bijna direct rustiger worden. Ik pruttel nog wat door, B. luistert en geeft hier en daar wat commentaar of aanvullingen. Ik krijg weer lucht. Het eten is inmiddels op. B. gaat terug naar Blaricum, ik loop even met H. naar de pinautomaat op het Leidseplein. Als ik terugkom, is er een nieuwe ronde caiperina’s gearriveerd. Ik bestel er ook nog maar één. Het dansen kan beginnen. We hebben het er niet meer over.