Posts tonen met het label Taal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Taal. Alle posts tonen

dinsdag 5 maart 2013

Hoe ik werd wat ik wilde worden

signerende Elsbeth
Een paar jaar geleden was ik mezelf kwijt. Ik wist niet meer wat ik leuk vond en was vergeten waar ik blij van werd. Het duurde even voordat ik dat door had, maar toen ik iets te vaak moe was en ‘niet zo lekker’ besloot mijn man me wakker te schudden en aan de bel te trekken. Ik ging onder een palmboom zitten (we waren op dat moment in Bali) en realiseerde me dat ik stress had. Gedurende die vakantie kwam ik erachter dat ik mezelf gruwelijk vergeten was. Ik was heel hard voor mijn dochter (toen bijna twee) gaan zorgen en voor manlief die dat jaar de ziekte van Pfeiffer had gehad en had mezelf volkomen weggecijferd. Er was weinig Elsbeth over. Er was de moeder-Elsbeth, vrouw-Elsbeth en de werk-Elsbeth, maar de leuke-dingen-voorjezelf-doen-Elsbeth was praktisch verdwenen. 

Er was werk aan de winkel. Ik moest mezelf opnieuw uitvinden. Naast wat hard-core therapie ging ik op zoek naar een hobby. En zo kwam ik bij de cursus ‘Verhalen schrijven’ terecht. Ik wilde tenslotte als kind al schrijver worden, ik schreef af en toe al een column voor een kleine lezerskring en op het werk werden de schrijfklussen ook altijd mijn kant opgeschoven. Maar fictie, daar had ik me nooit aan gewaagd. Met pen en schrijfblok kwam ik in een klaslokaal met allemaal amateur-verhalenschrijvers terecht. En ik werd er helemaal blij van. Iedere dinsdagavond fietste ik door de kou de stad in en fietste ik twee uur later met een dikke lach op mijn gezicht weer terug naar huis. Vol ideeën, vol inspiratie en langzaamaan ook met steeds iets meer ambitie. 

In de zomer van 2009 durfde ik zelfs mee te doen aan een verhalenwedstrijd van de Volkskrant. Ik stuurde mijn verhaal ‘Naar huis’ in en vergat vervolgens mijn mail te checken, waardoor ik bijna niet door had dat ik de wedstrijd won. De redacteur van de wedstrijd wist me uiteindelijk toch te bereiken toen ik op mijn werk was. En ik was door het dolle heen. Ik huppelde door de gangen van het grote kantoorgebouw waar ik destijds werkte en lachte van oor tot oor. Ik had een schrijfwedstrijd van de Volkskrant gewonnen! Hoe cool was dat.
  
In de maanden die volgden gebeurde er iets in mijn hoofd. Het gevoel bekroop mij dat ik die schrijfliefde misschien toch maar eens serieus moest gaan nemen. 
Langzaam groeide het plan om schrijver te worden. Zou ik stoppen met werken en de stap wagen? Ik ging het plan hier en daar hardop uitspreken. Ik ging het plan langzaam geloven. Ik ging wat minder geld uitgeven om wat te sparen voor het geval ik echt zou stoppen met werken. Ik liet me niet ontmoedigen door een ‘echte schrijver’ die na een schoolpleingesprekje spottend op Twitter schreef: “ik ontmoet hier Elsbeth en ze is eigenlijk schrijver’. 
Ik laste nog even een pauze in omdat ik onverwacht zwanger was van Teun. En ik hakte de knoop door toen Teun er eenmaal was. Ik werd schrijver. Ik ben schrijver. Ik werd wie ik altijd al wilde worden. En ik werd die dag trouwens ook veertig.


Dit blog verscheen in december op www.mentaalvitaal.nl

woensdag 11 maart 2009

Virus

Het begon een tijdje terug. Toen ik weer een keertje in de kroeg was op vrijdagavond. Ik was met rokers en ondervond voor het eerst de gevolgen van het nieuwe rookbeleid. Ik zat namelijk opeens alleen aan de stamtafel. De rokers stonden in de kou op het terras. Ik bleef niet lang alleen. Naast mij plofte een vage bekende uit mijn studentenverleden. Ik had hem niets te melden. Hij zag er nog precies uit als in de studententijd, slechts een paar kilo zwaarder. Hij vertelde wat hij zoal had meegemaakt de laatste jaren en er ontstond ook een gesprek over mijn recente verleden en daarbij behorende flashbacks. Een gesprek dat ik eigenlijk niet wilde (te persoonlijk), maar wat ik op de een of andere manier niet teruggedraaid kreeg. Opeens zei de vage bekende: “je zegt steeds zeg maar. Daar moet je eens mee ophouden.” Ik verwenste hem in stilte. Wat dacht die gast wel niet? Desondanks zette ons gesprek zich voort en betrapte hij mij op steeds meer “zeg maars”. Hij was irritant, maar had wel gelijk.
En sindsdien is er geen houden meer aan. Ik kan niet meer normaal naar mensen luisteren. Want ik blijk niet de enige die dit vaak zegt. En de vage bekende was niet de enige die het was opgevallen. Een paar weken later werd er in de NRC Next in de rubriek ‘taal voor de mensen’ ook een column aan gewijd. Hierin de uitleg dat we het zeggen omdat we “in het leven altijd graag een slag om de arm houden. O wee als je ergens aan gehouden zou kunnen worden.” Tja, dat kan zeg maar waar zijn. Maar is het dan nodig om het in bijna iedere zin te zeggen? Gaan we op Amerikanen lijken die overal “it’s like” of “you know” tussen proppen?
Ik mag dan wel neerlandicus zijn, ik ben geen taalpurist. Het maakt mij niet uit hoe je iets zegt, het maakt me niet uit of iemand taalfouten maakt. Als we elkaar maar begrijpen. Maar het “zeg maar-virus” laat me niet los. Ik leid er onder. Ik ben een dwangmatige zeg maar-teller geworden. Kan me niet meer concentreren tijdens mijn werk, omdat ook mijn collega’s het virus onder de leden blijken te hebben. Kan geen talkshow op TV meer kijken zonder te tellen. En zelfs tijdens mijn cursus “verhalen schrijven” gisteren zat de feedback van onze schrijfmeester vol met ZM’s. Zonde. Hij had een goed verhaal. De slag om de arm was niet nodig.
Ik sluit me bij mijn tussentijdse conclusie dus toch maar aan bij de “slag om de arm-verklaring”. Het lijkt er namelijk wel op dat hoe onzekerder iemand is, des te meer ZM’s er in een verhaal voorkomen. Heb je net op je poker-face geoefend en je blos onder controle wordt je getroffen door dit virus. Best balen.