dinsdag 5 mei 2009

Ploeteren

Soms heb je zo’n dag waarop je je gewoon rot voelt. Soms duurt het een week. Of langer. Soms weet je waar het aan ligt. Soms niet. Dan voel je dat er wat is, maar kijk je gewoon over de oorzaak heen. Ook al staat hij voor je neus. Althans dat heb ik nogal eens.
Maar nu niet. Nu voel ik me goed. Nu lach en straal ik zeker al weer twee weken. Zelfs als mijn auto een lekke band blijkt te hebben.
Maar goed. Op die dagen dat ik het leven ingewikkelder vind, helpt het om te weten dat je niet de enige bent die door het leven ploetert. Ik zie eigenlijk iedereen om heen zoeken, vinden, kwijtraken, vasthouden en loslaten. En dat maakt dat je je eigen gedachtespinsels weer wat kunt relativeren. Het hoort er blijkbaar bij.
Op zo’n ploeterdag kun je beter niet gaan Twitteren. Want op Twitter lijkt het leven altijd goed te gaan. Op Twitter heeft iedereen een leuke Koninginnedag gehad. Op Twitter zitten we allemaal bij mooi weer wijn te drinken op het terras en hebben onze kinderen alleen maar leuke kanten. Als je Twittert lacht het leven je toe. Op Twitter wordt niet geploeterd. Twitter is de etalage van het leven. Op Twitter heeft iedereen op jouw slechte momenten een leuker leven dan jij.
Daarom stel ik voor dat we naast Twitteren ook eens met zijn allen gaan Ploeteren. Op www.ploeter.com. Een plek waar je heen kunt als je je liever onder je dekbed wilt verstoppen (wat dan eigenlijk niet helpt). Waar je je hand kunt uitsteken. Waar iemand je hand kan vastpakken en zeggen dat het wel meevalt.
Zo’n Ploetersite kan er dan ongeveer zo uit komen te zien:
Me Sta nu bij het graf van I. Veel bloemen. 13 april 14.32 uur
Me Ben op weg naar begraafplaats. Zitten enorm te brullen in de auto. 13 april 14.00 uur
XX Kogel is door de kerk. We gaan toch scheiden. Kinderen inlichten. 12 april 10.57 uur
YY Kuthormonen zouden bijna mijn relatie verpesten. 12 april 09.39 uur
ZZ Voel me rot en alleen en niemand belt me 11 april 22.13 uur
PP Ben toch niet (meer) zwanger ;-( 11 april 19.54 uur
QQ Help! 11 april 17.42 uur
XX Probeer huwelijk te redden, maar weet niet hoe 11 april 13.18 uur

Of zullen we maar gewoon in ons eentje blijven doorploeteren. Tot we er weer vertrouwen in hebben. Tot we weer klaar zijn om onze grappigste, slimste en hipste kant in de etalage te zetten. Tja. Boeiend. Al dat getwitter. ’t Is net echt.

dinsdag 28 april 2009

Klein

Keet heeft vorig jaar voor haar vierde verjaardag een poesje gekregen. Ze heet Toekie. Ik vond Poef wel een leuke naam, maar Keet niet. Dus nu heet ze Toekie Poef. Toekie is van juni, dus nog geen jaar oud. Een maand geleden ontdekten we dat Toekie verliefd was. We signaleerden haar nogal vaak met een grote rode kater uit de straat. Op een ochtend lag ze op het balkon onder de rode kater. Wij vonden dat allemaal erg grappig.
Vorige week voelden we dat Toekie wel erg grote tepeltjes had voor zo’n klein poesje. Tijd voor wat googelen en voor een afspraak met de dierenarts. Een poes blijkt slechts twee maanden zwanger te zijn. Er kunnen bij de bevalling dingen mis gaan en het zou mooi zijn als je de poes binnen kunt houden. Geef haar een plekje waar ze zich kan terugtrekken, bijvoorbeeld een kartonnen doos van 50 x 50 centimeter. “Definitely” tijd voor een bezoek aan de dierenarts. Ik moet me als een gek gaan voorbereiden op dit gebeuren.
Vrijdagochtend: Keet, Toekie en ik staan in de kamer van onze dierendokter. Die we sinds de dood van Poezie, vier jaar geleden, niet meer hebben gezien.
“Dit is Toekie, ik denk dat ze zwanger is. We hebben haar betrapt onder een rode kater en nu heeft ze hele grote tepels.”
“En je hebt er niet aan gedacht om haar de pil te geven?”
“Uh, nee.”
“Is ze krols geweest?”
“Ik denk het wel. Ze lag onder die rode kater.”
De dierenarts voelt aan Toekie en bevestigt ons vermoeden.
“Is ze al geënt?”
“Nee…..”
“Wormenkuur?”
“Ook niet.”
“Zullen we Toekie maar even helemaal checken nu ze hier toch is?”
“Dat is misschien wel een goed idee.”
De dierenarts kijkt in Toekies oren, en voelt in haar nekje.
“Dat bandje zit wel erg strak.” Ze doet hem los. “Ach poesje toch, dat is beter hè. Ja ja, ze groeien. Thuis maar even een extra gaatje maken in dat bandje.”
Er volgt een hele uitleg over de anticonceptiepil, entingen die niet direct na de bevalling mogen en wormenkuren en de volksgezondheid. Ondertussen waarschuwt de dierenarts dat Keet niet met haar mond tegen de behandeltafel mag staan. Ik probeer me te concentreren op alle instructies die ik krijg. Want één keer een nestje kittens is heus wel leuk, maar ook genoeg. En de volksgezondheid vind ik ook belangrijk. Ik krijg een tasje met wormenkuur en pil mee. Gelukkig staan de instructies op de etiketjes. Dat van die entingen moet ik maar onthouden.
Een kwartier later en tien centimeter kleiner, sta ik weer buiten met Keet, de poezenreismand en een boekje van “Jan Jans en de Kinderen bij de dierenarts.”
Ik besluit dat we die controleafspraak bij de tandarts nu ook echt maar weer eens moeten maken.

zondag 29 maart 2009

Het mooiste meisje van de klas

Beste Jaap Jongbloed,
Ik was zes toen het mooiste meisje van de klas en ik vriendinnetjes werden. We zaten op onze eerste schooldag naast elkaar en waren vanaf toen beste vriendinnen. Ze was schattig, blond en klein en alle jongens waren verliefd op haar. Ze kon goed dansen en goed sporten. Ze zoende al met jongens, toen ik dat nog lang niet durfde. We waren dertien toen we als John Travolta en Olivia Newton John de eerste prijs wonnen van de lokale talentenjacht. Ik was John.
Toen we 16 waren, ging ze mee op vakantie naar Riccione. De Italiaanse jongens riepen haar na op de boulevard. Zij kwam gratis de dure discotheek in, en ik mocht mee naar binnen.
Daarna liepen onze paden steeds verder uit elkaar. Maar we verloren elkaar nooit helemaal uit het oog. Ik ging studeren in Utrecht en zij werken in een Amsterdams grand café. Ik stapelde er een studie bovenop, zij werd vertegenwoordiger. Ik vond mijn draai in wat ik deed, zij bleef zoekende. Ze vond het niet in Nederland, en zocht het in verre oorden. Werd “Gentil Organisateur” bij Club Med en belandde op exotische plekken.
Onze beider liefdeslevens verliepen in die tijd niet over rozen. We bleven allebei zoekende, daarin herkenden we elkaar. De verliefde jongens uit de klas zaten eigenlijk nooit in haar “league”. Het lukte haar altijd om met een verrassender exemplaar te komen. Op de middelbare school kaapte ze de langharige F. uit de hechte Molukse gemeenschap. In Amsterdam kreeg ze niets met de collega uit het grand café, maar met de getrouwde en twintig jaar oudere horecabaas.
Ook de zonnige oorden bracht haar niet het gewenste leven. Ze probeerde het nog een tijdje bij haar Amerikaanse vriendje in Lake Taho, bij haar vader in Rotterdam, toch weer bij Club Med en in de suburbs van Parijs.
We troffen elkaar niet vaak. Soms met maanden er tussen. Soms jaren. Soms kwam ze niet opdagen. Soms kwam ze toch. Uren later. Soms had ze toch maar even geblowd voor ze kwam. En toen hoorde ik heel lang niets van haar. Ze was opgenomen geweest. De combinatie van drank, drugs en de erfelijke manisch depressiviteit bleken bijna fataal. De eerste keer dat ik haar weer trof, zag ik een nerveuze, door de medicijnen opgezwollen vrouw met bruine tanden. We aten samen pizza en op de terugweg naar huis huilde ik heel hard.
Beste Jaap, het schijnt nu weer goed te gaan met het mooiste meisje van de klas. Zij woont in Suriname. Afgekickt van drank en drugs is ze haar nieuwe liefde achterna gegaan. Ze gaat over drie weken trouwen. Een happy ending after all? Haar prins op het witte paard is een oudere man met snor en gleufhoed. Een man met zeven kinderen in Suriname en Nederland. Ik hoop dat hij lief voor haar is. En blijft.
Wat denk je: zou dit mijn mooiste meisje uit de klas goeie televisie kunnen opleveren?

woensdag 11 maart 2009

Virus

Het begon een tijdje terug. Toen ik weer een keertje in de kroeg was op vrijdagavond. Ik was met rokers en ondervond voor het eerst de gevolgen van het nieuwe rookbeleid. Ik zat namelijk opeens alleen aan de stamtafel. De rokers stonden in de kou op het terras. Ik bleef niet lang alleen. Naast mij plofte een vage bekende uit mijn studentenverleden. Ik had hem niets te melden. Hij zag er nog precies uit als in de studententijd, slechts een paar kilo zwaarder. Hij vertelde wat hij zoal had meegemaakt de laatste jaren en er ontstond ook een gesprek over mijn recente verleden en daarbij behorende flashbacks. Een gesprek dat ik eigenlijk niet wilde (te persoonlijk), maar wat ik op de een of andere manier niet teruggedraaid kreeg. Opeens zei de vage bekende: “je zegt steeds zeg maar. Daar moet je eens mee ophouden.” Ik verwenste hem in stilte. Wat dacht die gast wel niet? Desondanks zette ons gesprek zich voort en betrapte hij mij op steeds meer “zeg maars”. Hij was irritant, maar had wel gelijk.
En sindsdien is er geen houden meer aan. Ik kan niet meer normaal naar mensen luisteren. Want ik blijk niet de enige die dit vaak zegt. En de vage bekende was niet de enige die het was opgevallen. Een paar weken later werd er in de NRC Next in de rubriek ‘taal voor de mensen’ ook een column aan gewijd. Hierin de uitleg dat we het zeggen omdat we “in het leven altijd graag een slag om de arm houden. O wee als je ergens aan gehouden zou kunnen worden.” Tja, dat kan zeg maar waar zijn. Maar is het dan nodig om het in bijna iedere zin te zeggen? Gaan we op Amerikanen lijken die overal “it’s like” of “you know” tussen proppen?
Ik mag dan wel neerlandicus zijn, ik ben geen taalpurist. Het maakt mij niet uit hoe je iets zegt, het maakt me niet uit of iemand taalfouten maakt. Als we elkaar maar begrijpen. Maar het “zeg maar-virus” laat me niet los. Ik leid er onder. Ik ben een dwangmatige zeg maar-teller geworden. Kan me niet meer concentreren tijdens mijn werk, omdat ook mijn collega’s het virus onder de leden blijken te hebben. Kan geen talkshow op TV meer kijken zonder te tellen. En zelfs tijdens mijn cursus “verhalen schrijven” gisteren zat de feedback van onze schrijfmeester vol met ZM’s. Zonde. Hij had een goed verhaal. De slag om de arm was niet nodig.
Ik sluit me bij mijn tussentijdse conclusie dus toch maar aan bij de “slag om de arm-verklaring”. Het lijkt er namelijk wel op dat hoe onzekerder iemand is, des te meer ZM’s er in een verhaal voorkomen. Heb je net op je poker-face geoefend en je blos onder controle wordt je getroffen door dit virus. Best balen.

zondag 15 februari 2009

Valentijnsdag

Het was toeval dat we juist op 14 februari een date hadden. Maar dat we niet de enigen waren, dat was duidelijk. Als je uit eten wilt op Valentijnsdag, kan je dat beter niet op de dag zelf verzinnen.
We hadden het rijk alleen. Keet was net opgehaald door opa en oma en H. kreeg een migraineaanval. Al met al was het dus maar de vraag of deze “vrije avond” een romantische invulling zou krijgen. Maar na 1,5 uur slaap, slechte zaterdagmiddagtelevisie vanuit bed, chips en sinas, en wat twijfels, besloten we toch een poging te wagen. “Als het niet gaat, gaan we gewoon naar huis,” stel ik H. gerust. Zonder reservering op zak stappen we op de fiets en besluiten in de buurt wat te zoeken. Dichterbij en misschien meer kans op een tafel dan in de romantische binnenstad. Na afwijzing één in Oog in Al, fietsen we richting Kroeselaan. Langs de Jaarbeurs, Veilinghaven en restaurant Divinatio (moeten we nog een keer heen). We komen tot de conclusie dat dit fietstochtje al de moeite waard is, omdat we ons opeens toerist in eigen stad voelen. Dit stuk Utrecht is leuk.
We fietsen verder over de Veilinghavenkade en H. wijst me op de platbodems en de moderne appartementen. Omdat we naar rechts kijken, missen we bijna de Japanner op links. Hé Japanner? Ziet er best aardig uit en niet vol. En sushi is net wat we nodig hebben!
De opperjapanner van de tent (of is hij nou chinees?) heeft ook geen rekening gehouden met Valentijnsdag. Hij heeft het druk. Hij rent zelfs. Hij heeft zweetdruppeltjes op zijn bovenlip, heeft soms een lijst met reserveringen in zijn hand en soms een stapel bordjes. Maar hij heeft uiteindelijk wel een plek voor ons bij de bakplaat, waar nog drie andere stellen zitten. Daar hebben we ruimschoots de tijd om de chaos te aanschouwen. We zijn nu driekwartier binnen en niemand heeft nog gevraagd wat we willen drinken. We zijn niet de enigen waarbij niets gebeurd. De onrust en het ongenoegen van de gasten om ons heen is voelbaar. We komen er achter dat we in een “eat-as-much-as-you-can-Japanner” zitten. Een grote Utrechtse man loopt voor de derde keer naar buiten met zijn pakkie shag. Onze bakplaatgenoten krijgen langzamerhand een band. De avond wordt steeds grappiger. Maar een wijntje erbij zou wel leuk zijn.
Een dik uur nadat we binnen zijn krijgen we onze fles wijn, van de manager himself. Hij licht het yahtzeekaartje toe waarop we kunnen bestellen wat we opkunnen, “maar,” zegt hij er bij “verspilling wordt niet gewaardeerd”. Als je meer bestelt dan je opkunt dan betaal je één euro per stuk voor wat je laat liggen. De sushi smaakt goed. De teppan yaki van de bakplaat ook. De Japanner gaat steeds meer op een steengrillrestaurant lijken. H.’s migraine komt terug, waardoor we bijna die vierde ronde sushi alsnog moeten betalen. Alle ingrediënten voor een slechte avond waren aanwezig, en toch: het was de leukste Valentijnsdag ooit.

donderdag 5 februari 2009

Zondagskind

Omdat het leven al ingewikkeld genoeg is, geven we labels aan mensen of stoppen we ze in een hokje. Zo heeft Keet al het label “tomboy”, heeft een hele groep Nederlanders het label “kut-marrokaan” en dacht ik altijd dat ik een zondagskind was. En als je maar vaak genoeg dat label hoort dan ga je er zelf ook in geloven. En grote kans dat je je er naar gaat gedragen.
Heb je eenmaal een beeld van iemand (of van jezelf), dan maakt het eigenlijk niet zoveel uit wat je doet, want wat je ook doet het bevestigd dit beeld. Als vriendin D. vlak voor vertrek haar koffer nog één keer checkt, is ze een controlfreak. Als M. dit op het laatste moment doet, bewijst dit wat een chaoot ze is.
Ik heb best veel geluk gehad in het leven. Mijn schoolloopbaan verliep altijd soepel, heb leuke banen, mooie reizen gemaakt en ben omringd door goede vrienden. Ik lijk altijd net op het juist moment op de juiste plaats te zijn. Ik ben een geluksvogel! Een zondagskind!
Ik heb dat wat ik bereikt heb nooit als bijzonder ervaren. Dat ik tijdens mijn werk bij een trainingsbureau als jongste van het team teamleider werd, ach ik was op het juiste moment op de juiste plek. Dat ik op mijn 19e twee maanden door Amerika trok, op mijn 24e drie maanden naar Griekenland kon en op het hoogtepunt van mijn carrière toch nog de ruimte kreeg om twee maanden door Zuidoost Azië te reizen. Tja, aan mazzeltjes ontbreekt het mij niet. Dat ik ook nu op mijn werk degenen ben die op het juiste moment door kan groeien, ook dat lijkt niet meer dan logisch. Bijzonder? Je bent een zondagskind of je bent het niet. Niks om trots op te zijn.
Maar nu ben ik het zat! Het is tijd voor een nieuwe visie. Want ik zie andere zondagskinderen om me heen die ik bewonder, die bergen verzetten en die het niet eens doorhebben. Die het zichzelf onnodig moeilijk maken en niet beseffen hoe bijzonder ze zijn. Wij zondagskinderen krijgen het misschien vergeleken met anderen ogenschijnlijk gemakkelijk voor elkaar, maar dat betekent niet dat het minder waard is. Het is juist speciaal!
Ik had al het vermoeden dat ik toevallig ook ben gaan samenwonen met een zondagskind. Toen ik dat op een ochtend in bed verifieerde antwoordde H: “Ja…….… maar ik vind eigenlijk dat ik mezelf daarmee tekort doe.” En dat was eigenlijk precies wat ik niet onder woorden kon brengen.

-------------------------------------------------
Godfried Bomans schreef een sprookje "zondagskind". Zijn versie bevalt me ook wel!

zondag 25 januari 2009

Tomboy

'Als een meisje in de baarmoeder is blootgesteld aan grote hoeveelheden mannelijke hormonen, dan kan ze na de geboorte meer mannelijk gedrag vertonen.' Ja, ja. En wij maar denken dat we er invloed op hadden. Toen ik zwanger was en we dachten dat we een dochter zouden krijgen, hoopten we dat het wel een stoer meisje zou zijn. Geen prinsesje. Bij ons geen roze in huis. Nee, zo’n stoere wilden wij. We zijn ruim vier jaar verder en we kunnen stellen dat onze wens is uitgekomen. Hoewel iedereen voorspelde dat de roze periode nog wel zou komen, hebben we ‘m bij Keet nog steeds niet gezien.
Vanaf dat ze twee jaar is heeft Keet al kort haar. Om haar toch niet te veel op een jongetje te laten lijken, hijs ik haar zo veel mogelijk in jurkjes en leggings. Geen roze jurkjes met roesjes en strikjes, maar overduidelijk jurkjes. Als ze groot is wil ze graag skateboarder worden, en haar eerste verjaardagspartijtje was een piratenfeestje. Volgend jaar een indianenfeest. Vuurwerk afsteken vindt ze absoluut niet eng en stoeien kan niet wild genoeg gaan.
De laatste weken is ze iets te veel doorgeschoten naar mijn mening. Als ik haar aanspreek als Keet (zo hebben we haar tenslotte genoemd) zegt ze: “nee ik ben Andere-ik en ik ben een jongen.” Jurken aantrekken gaat niet meer zo soepel. Vooral niet nu ze sinds een paar dagen weer terug is in haar piratenfase. En nu ze dezelfde Nike’s heeft als haar vader, krijg ik haar laarzen ook minder goed aan.
Wij dachten dus dat onze missie was geslaagd. Tot er deze week iemand bij ons was die er meer over wist te vertellen. Iets met testosteron en zwangerschap. Hij wist het niet meer precies, maar ik was getriggerd. Gister googelde ik tussen het piratenspel door de woorden “zwangerschap + testosteron + stress + meisje + jongensgedrag”. En jawel hoor, daar stond het. “Als een meisje in de baarmoeder is blootgesteld aan grote hoeveelheden mannelijke hormonen ..etc.” En testosteron wordt aangemaakt bij stress. Die was er wel tijdens de zwangerschap.
Dus al onze oude theorieën kunnen overboord. De kiem van dit gedrag is al heel vroeg gelegd. Waarschijnlijk in april toen I. zo nodig moest overlijden, toen we op mijn werk acht mensen moesten ontslaan, toen er een hooikoorts overheen kwam en mijn haar ook nog slecht was geknipt. Het komt dus niet doordat we zelf zulke stoere ouders zijn, doordat ik zelf niet een echt meisje-meisje ben. En niet doordat we haar een stoere naam hebben gegeven in plaats van Willemijn of Madelief.
Toen ik destijds aan de verloskundige vroeg of de periode van stress invloed zou hebben, stelde ze mij gerust en zei dat er in oorlogsgebieden ook gezonde kinderen worden geboren. Het zou geen invloed hebben op het kindje. Maar nu weten we beter. We hebben de tomboy die we altijd wilden. Ik hoop dat ik die drie leuke jurken voor deze zomer niet voor niets heb gekocht.

zondag 21 december 2008

Bozig

En daar sta je dan. Met een gillende dochter op straat. “ik wil niet deze kant op, ik wil alleen die kant op!”. Ze staat stokstijf op de stoep en is niet van plan om met me mee te lopen. Mijn altijd zo makkelijke dochtertje is veranderd in een krijsend schepsel en ik kijk hulpeloos om me heen. Wat te doen met dit schreeuwende kind? “Keet, kom op meelopen, we gaan naar huis.” Helpt niet. “Keet, kom op, Sarah is zo bij ons”. Helpt ook niet. Ik geloof dat dit zo’n situatie is waarin de gemiddelde moeder nu echt boos wordt en eens duidelijk laat zien wie de baas is. Ik doe nog een poging en voel me voor schut staan. Het zou een stuk makkelijker zijn om nu de andere kant op te lopen. Keet’s kant. Maar dat is geen optie. Ik snap ook wel dat dit krijsende prinsesje nu zeker haar zin niet mag krijgen. “Ik wil alleen wat ik wil!” en “ik wil nooit wat jij wil!” Oké, nog een poging dan maar: “Keet, ik word nu echt boos hoor!” Ja, ja net echt. Ik heb het gevoel dat ik een toneelstukje sta op te voeren. En boos worden zit nog niet in mijn repertoire. Dat had ik vorige week al ontdekt, tijdens mijn managementtraining. Daar moest ik in rollenspelen mijn boze kant laten zien. Althans, daar moest ik op zakelijk vlak mijn grenzen bewaken. En ik vond daar eigenlijk niet de manier die bij mij past. Ik oefende wat in steeds bozer worden, maar werd er niet bepaald blijer van. Net als bij Keet. Ik heb haar die middag uiteindelijk thuis gekregen. Maar een hele gezellige middag is het niet geworden. Zij bleef de grenzen zoeken en ik het bijbehorende gedrag, wat van opvoedende moeders wordt verwacht. Er kwamen nog een paar “ik-vind-jou-nooit-meer-liefs” voorbij en toen kwam manlief thuis. Die zag een bozige moeder zonder effect en een niet begrijpende dochter. Dit was niet de manier, niet mijn manier.
Navraag bij verschillende vriendinnen levert op dat andere dochters op de gang worden gezet, bij de kladden worden gegrepen of naar boven worden gestuurd. Grenzen worden gesteld, confrontaties aangegaan. Soms met huilende moeders tot gevolg. Welkom bij de club.
De volgende dag. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Ik heb een beetje haast, want moet op mijn vrije dag naar een bijeenkomst van mijn werk. Keet heeft geen haast en treuzelt. Ik vraag een paar keer of ze zich wil aankleden. Ik word genegeerd. Mijn hulpeloze gevoel dreigt op te komen. Ik hoor mezelf met een heleboel woorden en argumenten uitleggen dat ze zich nu toch echt moet aankleden. Opeens herinner ik mij de tip uit de cursus. Niet te veel uitweiden. Korte zinnen en af en toe een punt zetten. Stiltes laten vallen. “Keet je luistert niet en daar baal ik van.” Punt. Stilte.
Ze draait zich om. Zegt “oké” en maakt aanstalte zich aan te kleden. Ik val van mijn stoel. Waar een managementcursus al niet goed voor is.

dinsdag 25 december 2007

Voelen

Er zijn een paar plekken waar ik altijd aan I. moet denken. Het zijn op zich rare nietszeggende plekken. Zoals bij knooppunt Holendrecht op de A2. Of op de hoek van de Kroesenlaan. Of als ik met hardlopen de bocht om ga en langs het kanaal loop. Het zijn niet echt plekken waar iets leuks of bijzonders is gebeurd. Het zijn wel plekken waar ik of met haar een keer was, of zoals op de A2, met haar aan de telefoon hing. Maar goed, ik heb zo vaak met I. aan de telefoon gehangen. Zouden we op dat moment net iets bijzonders hebben besproken? Toen we langs het kanaal aan het lopen waren, hebben we het gehad over I's vriendin M. Die op ons altijd nogal neurotisch is overgekomen. Wat hebben we er die middag over besproken? Ik weet het niet meer. Ik weet wel dat het voor ons soms moeilijk te begrijpen was. En kijk ons nu eens. De een begint op haar 36e eens te begrijpen dat ze zelf misschien wel neurotischer is dan ze zelf wist. De ander is al weer twee jaar en acht maanden dood. Omdat ze haar eigen angsten niet meer onder ogen kon zien.
Twee jaar en acht maanden geleden. We zaten met een klein clubje aan een paasontbijt bij D. Niet omdat het Pasen was, maar omdat I. al een dag en een nacht verdwenen was en we toch ergens moesten wachten op nieuws. En dat nieuws kwam. Op H’s telefoon. Hij nam zijn telefoon op en ik hoorde hem zeggen “het is voorbij.” We vielen allemaal in elkaars armen. Ergens in de verte hoorde ik D. gillen en in mij klapte er een hele dikke kluisdeur dicht. Ik was leeg. Voelde niets meer. Was een lichaam zonder inhoud.
Als een robot ben ik de week daarna doorgekomen. Liet I’s ouders de rouwkaart van hun dochter goedkeuren en wist dat dat heel hard voor ze moest zijn. Ik schreef een speech voor de begrafenis en las ‘m voor. En wist dat dat heel moeilijk moest zijn. Ik zag haar kist de grond ingaan. Keek naar haar foto. En voelde niets. Ik wist wel dat het verdriet zou komen als ik daar klaar voor was en dat gebeurde ook. In de weken, de maanden en de twee jaren die volgden. Maar ik wist niet dat ik ook dichter bij haar angsten zou komen. En dat ik haar tweeëneenhalf jaar na dato alsnog beter zou gaan begrijpen. En dat ik meer kon voelen. En dat dat inderdaad heel beangstigend kan zijn. Dat gedachten met je aan de haal kunnen gaan. En dat je juist op dat moment je hand moet uitsteken naar iemand van wie je houdt. Dat je je blootgeeft op je meest kwetsbare moment. En dat je je daarna beter voelt en weer kan ademen en kan leven. Ik wou dat ik dit alles drie jaar geleden al wist. Ik wou dat ik dit nu met I. kon bespreken, nee kon doorvoelen.

maandag 23 april 2007

Verbondenheid

Soms lees of hoor je een zinnetje dat je even bij blijft en waar je af en toe over nadenkt of van leert. Zo was dat vorige maand de zin Stel het is oorlog, en niemand ging er heen, die ik tegenkwam in het boek “Uit je hoofd in het leven”. Er werd mee geïllustreerd hoe je (anders) met je eigen gedachten kunt omgaan. Zo galmde in H’s hoofd de laatste weken steeds de quote Can everybody stop getting shot!? (uit de film “Lock, stock and two smoking barrels”). En zo las ik op de site van mijn haptotherapiepraktijk dat haptotherapie gaat over leven in verbondenheid. Ook die bleef me een tijdje achtervolgen. Het klinkt zo mooi. Dat is wat ik wil. Dat ene zinnetje vat voor mij samen waar ik op moet letten. Want als je te veel in je eigen hoofd zit, niet eerlijk tegen jezelf en anderen bent over hoe je het eigenlijk wilt, dan kun je ook niet echt samen leven. Dan praat je over koetjes en kalfjes terwijl er eigenlijk hele andere dingen in je hoofd spelen.
Eind maart ging ik uit eten met K. Ik had geen zin, want zoals The Shins zingen there’s no connection. Geen zin is een understatement. Ik was gespannen toen ik naar K. fietste. En dat was ik eigenlijk al een paar dagen. Want mijn nieuw verworven inzichten, behoeftes en blootliggende gevoelsleven laten mij niet meer gaan met een dergelijke situatie. Dus moest ik een grote meid zijn en zeggen wat me dwars zat. Zodat er weer contact kan zijn. En natuurlijk werkte het ook zo. Terwijl we naar Restaurant Leen lopen, vertel ik met horten en stoten dat ik van haar baal en dat ik pissig ben (ha een nieuwe ervaring: boos zijn! Voelt best lekker eigenlijk). Al voordat we bij Leen zijn aangekomen is er al een heleboel verhelderd. We drinken eerst een biertje op het terras (eind maart!) en praten over de dingen die er toe doen in het leven. Over vriendschap. Over zorgvuldig met elkaar omgaan. Over lief zijn voor elkaar. Over echt oog voor elkaar hebben. Over leven in verbondenheid.
Maar zo makkelijk is het niet om te leven in verbondenheid. Dat zie ik bij mezelf en bij zo veel anderen om me heen. We verzwijgen dingen omdat het vaak eng is om te vertellen wat er echt in je omgaat. Omdat je gewoon gezellig wilt zijn en niet de chagrijn. Zelfs terwijl je heus wel weet dat het effect van je uiting positiever is dan het verzwijgen.
Ik ben aan het leren. Ik moet dit onder de knie krijgen, want mijn muur is gevallen. Ik kan me niet meer verschuilen. A stronger girl would shake this off in flight, and never give it more than a frowning hour, but you have had your heart decide….(alweer The Shins). Ik heb een harde leermeester gekregen. Mezelf. Ik wens iedereen op z’n tijd zo’n leermeester toe. Zodat er ook echt ruimte is voor koetjes en kalfjes.

zaterdag 17 februari 2007

Onderweg

Je rijdt over de snelweg. Passeert een herkenningspunt en opeens realiseer je je dat je een heel stuk hebt gemist. Ergens anders met je gedachte, heb je op de automatische piloot een plek bereikt, zonder dat je weet hoe je er gekomen bent.
Deze zomer ontdekte ik ook dat ik op de verkeerde plek was beland. Dat ik in Bali was, dat klopte. Die reis hadden we geboekt en naar uitgekeken. Maar in plaats van relaxed onder een palmboom te liggen, lag ik op bed omdat ik me ‘niet zo lekker’ voelde. Een jetlag? Te weinig gedronken? Maar die opties pikte H. niet: “ga jij maar eens nadenken, want je voelt je de laatste tijd heel vaak ‘niet zo lekker’.” Ik plof neer op mijn hotelbed, niet wetend waar ik met mezelf naar toe moet. Maar ik ga nadenken. En realiseer me opeens wat ik voel: stress! M’n lijf staat stijf van de zenuwen. Langzaam begin ik me die week dingen te realiseren. Begin in te zien dat ik de afgelopen maanden misschien mezelf wat voorbij ben gelopen. Dat ik dingen ben gaan doen op H.’s manier in plaats van mijn eigen manier. Dat ik me meer naar Keet ben gaan schikken dan goed voor me was. En dat ik dit alles niet heb gecommuniceerd. Ik dacht namelijk dat ik alles prima op orde had. Alles onder controle. Alles goed geregeld. Voor iedereen. Maar misschien niet voor mezelf. En het gevoel ging die week niet weg. Iedere ochtend werd ik gespannen wakker. Something took over. Het was alsof een worm zich in mijn lijf had genesteld.
En toen moest ik dus wel gaan nadenken. En begonnen er wat kwartjes te vallen.
Altijd heb ik geweten dat je eerst moet zorgen dat je zelf gelukkig bent, voordat je anderen gelukkig kunt maken. Voor jezelf kiezen, dat is belangrijk. Dat was mijn geloof. Maar in Bali en in de weken daarna bleek dat ik iemand was geworden die ik nooit had willen zijn. Sterker nog, ik was veranderd in ‘my worst nightmare’.
Terug uit Bali begon mijn verdere zoektocht. Er werd mij gevraagd wat ik nou vooral leuk vond om voor mezelf te doen. Ik stond met mijn mond vol tanden. Ik kreeg de vraag wanneer ik voor de laatste keer boos was op iemand. Ik wist het niet. Ben eigenlijk nooit boos. Liet mijn eigen gevoel overschaduwen door begrip voor anderen. En zo gebeurde het dat er uiteindelijk maar een klein stukje van mezelf over was. Hoe was ik hier in godsnaam terecht gekomen?
Gelukkig hebben mijn eigen lijf en de worm, me hardhandig wakker geschut. De worm en ik zijn nog steeds geen vrienden, vooral niet omdat hij soms veranderd in een monster. Maar ik ga hem wel steeds meer waarderen (en accepteren?). En ik weet zeker dat we samen het monster kunnen uitroeien. De worm houdt me nu in ieder geval wakker tijdens mijn reis. Zodat ik zeker op de plek van bestemming kom.

vrijdag 8 december 2006

Tanig

Scène 1. Plaats: Italië, Adriatische kust. Een moeder zit te eten met haar twee tienerdochters.
Scène 2. Plaats: Oostenrijk, Tirol. Een camping en een ingesneeuwde caravan in Oostenrijk. De moeder, dochters en het vriendje van de oudste graven de caravan uit en zoeken de voordeur.
De moeder en de dochters doen het goed. Er is geen vader bij, maar met z’n drieën hebben ze het ook goed naar hun zin. “Ze komen niets te kort, ze hebben alles…”
Dacht ik.
En zo ben je opeens twintig jaar verder. En zit je tegenover een haptotherapeute. Die je redelijk voor de hand liggende vragen stelt over je jeugd. “Wat herinner je je vooral van die tijd? Wat voor soort kind was je?” De antwoorden zijn niet altijd even logisch en gestructureerd. Maar dat hoeft hier niet, ik zit niet op mijn werk, geef geen presentatie. Ik zeg vooral wat er aan herinneringen omhoog plopt. Eén van de dingen die ter sprake komt is een uitspraak van mijn vader: “Eerst denken, dan doen”. Vervolgvraag: “Heb je nu in je eigen gezin ook van die typische uitspraken die bij jullie gezinnetje horen?” Ik denk na. Geen typische uitspraken, maar wel onze geheime teken voor “luv joe”, ons eigen liedje, onze flauwe grapjes, onze belachelijke bijnamen, verbasterde woorden en zinnen. Onze eigen cultuur. We zijn wel ons eigen eenheidje, een eigen lichaam, dat lekker functioneert. Veilig en vertrouwd.
Mijn uur zit er op. Er is veel besproken. Ik fiets naar huis, rij vervolgens naar mijn werk en laat mijn herinneringen en gedachten even voor wat ze zijn. Maar gedurende de week spinnen ze als verdwaalde puzzelstukjes in mijn hoofd. We hebben zo veel verschillende dingen besproken en ook zoveel wat met elkaar te maken heeft. Het is druk in mijn hoofd. De gedachten gaan met me aan de haal. De puzzel is nog niet in elkaar gevallen.
Ik zie de moeder en de dochters weer, tijdens de vakanties naar Italië en Oostenrijk. Ik kijk naar ze, alsof ik er een beetje boven zweef. Het plaatje klopt niet. Het wringt. Het voelt geamputeerd. Het gezin is niet de eenheid die het hoorde te zijn. Maar de moeder en de dochters gedragen zich kranig. Ook met één been gaat het leven gewoon door. Ons krijg je er niet onder. We hebben ons altijd kranig gedragen.
Ik begin de puzzel te begrijpen.
“Je voelt een beetje, ja hoe zal ik het zeggen….” zei D. één van de eerste keren dat ik op de haptotafel lag. “Je voelt een beetje tanig. Niet zacht.” Ik herken het nu. Zoals ik tijdens mijn puberjaren gewend was, zo heb ik de afgelopen jaren doorgeleefd. Er is behoorlijk wat gebeurd, maar ik heb me er goed doorheengeslagen. Dacht ik. Maar niets bleek minder waar toen ik vol stress op een palmenstrand in Bali zat. Niet wetend waar ik het zoeken moest. Het tanige lijf had het gehad. En langzaam begin ik het te begrijpen: het is tijd om te smelten.

maandag 4 december 2006

Vuong

Het restaurant is hot. Schijnt. Onze outfits nauwkeurig bij elkaar gezocht. Ik voel me goed in m’n te dure nieuwe jurk. Daar ligt het niet aan. We wachten al een tijdje op onze hippe drankjes. We zijn bijna compleet. Eindelijk weer een keer een etentje met m’n vriendinnen. Of zoals Keet de volgende dag tegen oma zou zeggen: mamma is bloemetjes plukken met D. en C. Er vliegen allerlei gespreksonderwerpen over tafel. Daar zijn eindelijk onze drankjes. En ook H. arriveert. En we kunnen alsnog met z’n zessen aan de tafel zitten die we eigenlijk hadden gereserveerd.
We settelen ons in ons nieuwe hoekje, oftewel in de “booth” en bestellen Aziatische hapjes (of is het ‘fingerfood’?). Ik kan me steeds slechter concentreren op de gesprekken in de booth. Tot een half uur geleden ging het best goed, plaatste ik hier en daar nog een scherpe opmerking of kon ik nog een bijdrage leveren aan een gesprek. Maar langzamerhand glijden er allerlei gedachten van de afgelopen week m’n hoofd in. M’n vriendinnen veranderen in pratende hoofden, ik kan het niet meer opbrengen om de gesprekken te volgen. Zien ze dan niet dat ik me rot voel? Iedereen weet toch dat het niet goed gaat? Waarom vraagt niemand iets?
Toen ik een paar weken geleden voor het eerst op de tafel van de haptotherapeute lag, vroeg ze me of ik vond dat ik voldoende ruimte innam. Ik begreep niet helemaal wat ze bedoelde. “Ik vind dat je er een beetje iel bijligt”, zei ze. “Je mag wel wat meer ruimte innemen, wat ruimer in je vel zitten.”
Opeens begrijp ik wat ze bedoelde. Ik heb het benauwd, heb geen ruimte. Heb het gevoel dat ik hier net zo goed niet had kunnen zijn. Maar wat nu? Ik ga hier toch niet opeens tussen de suhsi en sashimi door mijn klotegevoel in de groep gooien. Ik wurm me uit de booth om even naar de wc te gaan. Kan de deurklink niet vinden (behoort niet bij het design). Probeer mezelf op de wc bij elkaar te rapen, zoek bijna vijf minuten naar de designknop om door te spoelen en loop terug. Het heeft niet geholpen.
En dan is het alsof iemand het ventiel uit mijn te hard opgepompte band trekt. B. vraagt hoe het gaat met de haptotherapie. Ik weet niet meer wat ik antwoordde maar weet wel dat er bijna direct tranen volgen. Ik snotter weg in m’n hoekje, laat m’n hoofd leeglopen bij B. die ik al een half jaar niet heb gezien en voel me bijna direct rustiger worden. Ik pruttel nog wat door, B. luistert en geeft hier en daar wat commentaar of aanvullingen. Ik krijg weer lucht. Het eten is inmiddels op. B. gaat terug naar Blaricum, ik loop even met H. naar de pinautomaat op het Leidseplein. Als ik terugkom, is er een nieuwe ronde caiperina’s gearriveerd. Ik bestel er ook nog maar één. Het dansen kan beginnen. We hebben het er niet meer over.

donderdag 6 juli 2006

De luxe wagen

De stad is warm en broeierig. De Overtoom nog druk om 1 uur ’s nachts. De airco doet hard zijn best om m’n auto koel te krijgen. Zo’n honderd meter verderop staan agenten met lichtgevende stokken te zwaaien. Een fuik. En ik rij er recht op af. Een alcoholcontrole, en dat terwijl ik net één biertje te veel op heb. En geen rijbewijs bij me. Ik “draai” m’n raampje open, zet de muziek zachter. Met dichtgeknepen billen blaas ik even later in het apparaatje, maar het komt goed. Volgens de test ben ik geen gevaar op de weg. En volgens de vriendelijke politieman “moet één biertje kunnen.”
Ik rij verder over de Overtoom, richting snelweg. Zet de cd van The Raconteurs weer harder. Bij het Surinameplein springt het stoplicht op rood. Ik wacht achter een grote donkergrijze BMW voor het rode licht. M’n oog valt op twee televisieschermpjes in de hoofdsteunen van de voorstoelen. DVD in de auto. Je ziet het steeds meer. Het schijnt ook ideaal te zijn om jengelende kinderen mee stil te houden tijdens lange ritten (wat is er mis met de dikke vakantieboeken van de Donald Duck?).

DVD in de auto, ik ben er nog niet aan. In mijn auto alleen een geïntegreerde telefoon. En navigatiesysteem, ook een leuk speeltje. M’n Blackberry ligt op m’n dashboard: zo kan ik in de gaten houden of er nog nieuwe mail binnen is. Of via internet checken hoe lang de file is waar ik in sta. Ik hoef me onderweg niet te vervelen.
Volgens de blaastest ben ik geen gevaar op de weg.
Mijn oog is blijven hangen op de plasmaschermpjes in de auto voor mij. Dat is pas gevaarlijk. Dat leidt toch af?
En dan dringt daadwerkelijk door wat ik zie. Ze zitten gewoon porno te kijken!
Het stoplicht springt op groen. Ik sorteer links voor en passeer de porno-BMW. Vanuit mijn ooghoeken gluur ik heel voorzichtig in de auto naast mij, die naar Sloten rijdt. Ik sla af richting Utrecht, mijn provinciestadje. Het is echt een broeierige avond, gelukkig is mijn auto inmiddels koel. Lang leve de airco.

woensdag 20 juli 2005

Snel

Keet is opeens geen baby meer. Ze kruipt daar waar ze naar toe wil. Zit op de fiets, zwaait naar iedereen, eet brood en is uit de maxi cosi gegroeid. Dus zit ze nu rechtop in haar autostoeltje op de achterbank en kijkt mee naar buiten. Het liefst zwaait ze dan ook naar voorbijkomende vrachtwagenchauffeurs. De box en haar bed staan op de laagste stand omdat ze soms zomaar ineens tegen de rand aan staat. Opeens gaat het snel. Al maandenlang zeggen mensen tegen me: “Geniet er maar van, het gaat zo snel”. En dan vond ik dat wel meevallen. Ik kon niet wachten tot ze zou gaan lopen, praten en zelf uit haar bedje zou kruipen en in haar pyjamaatje naar onze slaapkamer zou komen.
En nu lig ik op de bank bij te komen van de werkdag en Keet speelt op het kleed. Ze tijgert op de boekenkast af en drukt zich op in de kruiphouding. “Wat nu?” zie ik haar bijna denken. Heel voorzichtig haar ene knie voor de andere. Wow, wat doet ze het goed! Dit moment wil ik het liefst even bevriezen. Het is nu zo leuk, en wat gaat het nu inderdaad opeens vlug. Vorige week zei H. ook een keer, toen hij heel trots naar Keet’s kruipacties zat te kijken: “ raar hè, dit krijgen we nu nooit meer terug”. En plotseling begrijp ik waarom er zoveel mensen videocamera’s op hun kinderen loslaten.
“Het wordt alleen maar leuker.” Nog zo’n cliché dat waarschijnlijk ook al waar is. Zou dat ook zo zijn als ze 14 is, 20 of straks zelfs 34?
“Ik wou dat ze zo groot bleef als ze nu is” zei H. deze week.
Tijd is echt een heel ongrijpbaar begrip. Terugkijkend gaat alles heel snel, vooruitkijkend kan het je niet snel genoeg gaan (straks gaat ze praten, en lopen!) en ondertussen wil je soms ook dat de tijd even stilstaat. Dat ze blijft zoals ze is, want nu is ze echt op haar leukst.
Ingewikkeld. Des te meer omdat je geheugen ook niet goed meewerkt. Als ik nu een babytje van een paar maanden zie, kan ik me al niet meer voorstellen dat Keet ook ooit zo was. En toen ik afgelopen weekend de twee maanden oude Lola vasthield, voelde het heel erg onwennig. Zo’n kleine wurm in je armen. Terwijl ik dat met Keet toch echt normaal vond.
Het beeld van hoe Keet een paar maanden geleden was, is al wazig geworden en hoe ze er in de toekomst uit zal zien is nog helemaal vaag (Met haar? Met tanden?). Dus er zit niets anders op dan in het hier en nu te leven. En om er inderdaad dan maar gewoon enorm van te genieten. Want voor je het weet.....

vrijdag 14 januari 2005

Willen

Je moet niets willen zei vriendin B. tijdens haar kraambezoek. Het is de beste tip die ik heb gekregen sinds Keets geboorte. Het niets willen ging dan ook heel goed. Ik had tenslotte verlof en hoefde niets. Voor mij geen stress. Bovendien had Keet gedurende de eerste drie maanden dezelfde slaapziekte als H. en ik soms hebben, dus als ik per ongeluk toch iets wilde, dan lukte dat best als zij sliep.
Maar tegen het einde van mijn verlof begon ik meer te willen. En Keet ook. En we wilden niet altijd hetzelfde. En ik wilde heus niet zo veel. Gewoon, van die dingen die je doet tijdens je verlof: opruimen, vaatwasser leeghalen, mailtjes schrijven, foto’s bestellen. En Keet wilde dan bijvoorbeeld: eten, rondgedragen worden, een schone luier, slapen en dan weer eten, vooral lekker lang aan de borst en in ieder geval niet alléén spelen! Voor je het weet is de dag voorbij en heb je het gevoel niets gedaan te hebben. Maar goed, dan dacht ik aan DE TIP en probeerde niet al te lang gefrustreerd te blijven. Het is heus niet erg als het huis nog een zooitje is en als we weer pizza eten.
Je moet niets willen. Het helpt wel om dat te denken. Dus dat denk ik nu ook. Je moet niets willen, je moet niets willen. Zondagavond elf uur. Morgen ga ik weer voor het eerst werken. Dus wil ik fit zijn. En slapen. Keet niet. Keet is de afgelopen twee dagen netjes om acht uur ’s avonds gaan slapen. Daar was ik erg trots op. Maar dit nieuwe ritme was van korte duur. Vanavond wil ze niet. Na een heleboel gehuil, gedraag en gewieg, blijkt dat ze wil spelen. Ze zit tegen mijn opgetrokken benen op schoot in bed. Ze heeft mijn volledige aandacht en vermaakt zich prima. Babbelen, lachen. Best gezellig eigenlijk. Ik probeer me niet druk te maken over morgen. En gewoon in het moment te leven. Een nachtje minder slaap kan ik vast aan. Een kind hebben is eigenlijk enorm ZEN. Het dwingt je te leven in het moment. Genieten van het moment. En geen honderd dingen tegelijkertijd willen.
Mijn god. Hoe vaak zal ik dat nog moeten zeggen als ik eenmaal aan het werk ben? Want als ik weer helemaal mezelf ben, dan wil ik waarschijnlijk weer veel en moet ik op tijd op plekken zijn. Tot nu toe ging het leven met kind me prima af. Maar er breekt een nieuwe fase aan. Met serieuze dingen. Met werk. En dan heb ik ook nog de illusie dat ik één ochtend in de week thuis kan werken. Je moet niets willen. Ik prent nu alvast in mijn hoofd dat het helemaal niet erg is als die ochtend werken niet lukt. Dat ik dat dan die avond wel kan inhalen. En anders de avond erna. Of die daarna. Keet kan er niets aan doen dat ze een werkende mamma heeft. Als het maar geen werkende mamma met afhangende mondhoeken wordt.

woensdag 5 januari 2005

Elastiek

Als je een kind krijgt, schijn je enorm te veranderen. Gesprekken van moeders gaan alleen maar over kinderen en mensen met kinderen lijken ook een stuk saaier. Maar dat geldt natuurlijk niet voor mij! Ik ben heus nog wel dezelfde. Nou ja… op wat kleine dingetjes na. Want wie had gedacht dat ik na 18 weken verlof nog steeds geen zin zou hebben in werk? Wie had verwacht dat ik het leuk zou vinden om een sjaal te breien voor Keet? Om kinderliedjes te zingen bij babyzwemmen? En is het normaal dat H. en ik nu oprecht fan zijn van Nicky en Klaartje van het Junior songfestival?
Van te voren had ik ook absoluut geen benul van de moedergevoelens die je er gratis bij krijgt. Gevoelens die ervoor zorgen dat je altijd en overal je kleine meissie wilt beschermen. Dat je eigenlijk altijd bij haar wilt zijn. Niemand vertelde mij dat er na de bevalling een soort elastiek aan mijn buik werd gehecht, waarmee ik voor altijd met haar verbonden ben.
Het elastiek heeft wat rek, dus ik kan wel een tijdje achteruit lopen. Ik kan best een tijdje weg bij Keet. Eten bij vriendinnen, een avondje naar de kroeg. Maar op een bepaald moment staat het elastiek zo strak gespannen dat je gewoon terug móét. Het wil dan terug naar de oorspronkelijke vorm en het liefst zo snel als alleen een gespannen elastiek dat kan. Maar zo snel ben je in het echte leven niet thuis. Helemaal niet als je in Amsterdam bent en met iemand meerijdt. Dan moet je nog even op je tanden bijten, want je kunt dat etentje toch niet om half tien al verlaten? Dan is het net begonnen. Dus ik hou me groot en doe net of ik niet onrustig ben. Ik ben namelijk heus niet veranderd!
Maar nog nooit fietste ik zo snel naar huis, als na het avondje ‘Bridget Jones’. Of mijn leven er vanaf hangt, race ik door de stad, om vervolgens mijn gezinnetje vredig slapend in bed aan te treffen.
Als je een elastiekje vaker gebruikt, wordt het slapper. Zo ook mijn elastiek. Wilde ik in het begin na een uurtje al naar huis, drie weken geleden ben ik zowaar 24 uur lang weggeweest. Een dag én een nacht. Overigens niet geheel vrijwillig. Na wat aandringen van H. zijn we samen een dagje naar Antwerpen geweest. De dag ervoor had ik de hele dag een bedrukt gevoel. Waarom met z’n tweeën? Met z’n drieën is toch ook leuk? Maar we zijn gegaan en eenmaal op de A27 richting Breda had ik er toch wel een goed gevoel over. Het werd een topdag, zelfs zonder Keet.
Maar eerlijk is eerlijk. Het liefst ben ik gewoon thuis. Dat draait vast wel weer bij, toch?
Ach, fuck it! Ik geef het ook maar gewoon toe: Ik ben graag thuis! Ik ben een saaie muts geworden! Ik sta voorgoed, voor eeuwig en altijd aan die andere kant. En ik vind het nog leuk ook!

dinsdag 7 december 2004

Naar buiten

Studente in de bus. Utrechtse oma bij de kassa van Nettorama. Italiaanse toerist in binnenstad. Aardige dame in Winkel van Sinkel. Op zich hebben deze mensen niets met elkaar gemeen. Behalve dat het allemaal mensen zijn die ik in de afgelopen weken ben tegengekomen tijdens mijn wandeltochtjes door de stad met Keet.
Eind september toen Keet ongeveer een weekje thuis was begon ik met mijn expedities. Eerst voorzichtig (500 meter naar de buurtsuper), erg onwennig (ik, achter een kinderwagen?) en onder leiding van een professional (Donna, de kraamverzorgster). Daarna al snel zelfstandig, maar nog steeds voorzichtig en onwennig. Missie: de drogist, twee straten verderop. Een hele onderneming voor een beginneling. Eerst bedenken: “kan ik nú naar buiten of eerst voeden?” Dan de vraag: “hoe gaan we dit doen? Keet in haar reiswieg of de draagzak? Wielen en wagen naar beneden slepen of niet?” Het wordt de draagzak. Vestje aan, jas aan, muts op, baby in draagzak. Dat is één. Zelf jas aan, portemonnee mee, telefoon in zak, sleutels, en gaan. Helemaal compleet, maar oververhit kom ik buiten, waar het veel warmer en zonniger is dan onze kleren doen vermoeden. Maar de hele missie slaagt uiteindelijk wel. Ik kom zelfs met de goede boodschappen thuis. En toch bespeur ik een kleine teleurstelling bij mezelf: “Niemand heeft wat over Keet gezegd!” “Logisch”, is H’s commentaar ’s avonds, “met die draagzak om is het net alsof je een tas om hebt.”
Inmiddels ben ik een ervaren wandelaar. Sterker nog: wandelen met baby is mijn favoriete hobby geworden. Met wandelwagen of draagzak. En op moment is de “Babybjörn-buikdrager” mijn favoriete Keet-vervoerder. Een bezoekje aan de drogist, daar draai ik mijn hand niet meer voor om. Het is nu wandelen met de hoofdletter W. Naar de stad en terug. Uren zijn we samen op pad, Keet en ik. Voorzichtig en onwennig ben ik niet meer. Integendeel! En de studente in de bus, de Utrechtse oma bij de kassa en de Italiaanse toerist in binnenstad zijn allemaal slachtoffer van mijn plotselinge en voor mij volkomen onverwachte persoonsverandering. Want zodra iemand een opmerking maakt over mijn pronkstuk, ga ik nu los. Wie de opmerking maakt: “goh, dat is nog een kleintje”, kan van mij het hele verhaal verwachten: van “nou ze is al drie maanden”….. “is veel te vroeg en te klein geboren…”, “is al twee keer haar geboorte gewicht…” etc etc. Ik praat gewoon tegen iedereen die ons meer dan één blik gunt. Of ze willen of niet. Want sinds kort ben ik ongegeneerd trots!

woensdag 27 oktober 2004

Ik, moeder?!

Augustus 2004, 32 weken zwanger. Nog maar een paar weken werken en dan begint het grote zwangerschapsverlof. Op m’n werk komen steeds meer vragen als “ben je er al klaar voor om moeder te worden?” en “wat verwacht je van het moederschap?” Makkelijk gesteld die vraag. Maar het antwoord wil maar niet goed komen. Mijn hersens zoeken naar de juiste woorden, maar er is nog geen mapje moederschap aangemaakt. Het enige wat verschijnt is ruis. Het moederschap? “Uuuh, tja, ben ik er klaar voor?” stamel ik. “Het kamertje is bijna af en in m’n verlof ga ik me helemaal voorbereiden!”

Augustus 2004, 33 weken zwanger. Ik krijg het steeds vaker benauwd. Ik met een baby? Ik weet niets van baby’s. Heb vroeger nooit 'gebabysit'. Heb eigenlijk niets met baby’s. Ik weet niet hoe je een luier verschoont. Voel me onhandig als ik plotseling een baby van een vriendin in mijn armen gedrukt krijg, helemaal als deze ook nog de fles moet krijgen. Ik voel me opgelaten en ongemakkelijk. Waarom was ik hier ook al weer aan begonnen?

Augustus 2004, 34 weken zwanger. Voor het eerst waag ik me in babywinkels. Eindelijk ben ik in de 'mood' om de babykamer te gaan inrichten. Krijg ik zin om babydingen te kopen. Op een vrije dag kopen Henno en ik een lamp voor de babykamer en ga ik eindelijk los op kleertjes. Er begint geloof ik iets te kriebelen… Nog een week werken en dan eindelijk verlof.

30 augustus, 35 weken zwanger en plotseling uit m’n dagelijkse routine gerukt. Vanmiddag nog op m’n werk, nu met een rode neus in een ziekenhuisbed. M’n vliezen zijn gescheurd en de baby is te klein. Langzaam begint het tot me door te dringen. Ik moet hier blijven tot de baby er is. Ik kom voorlopig niet meer thuis. De volgende keer dat ik thuis ben, ben ik moeder.

1 september 2004. Nacht. Ik lig weer in mijn ziekenhuisbed en kan alleen maar lachen. Naast m’n bed staat een polaroid-foto van een verkreukelde baby met een gigantisch infuus aan haar armpje. Ik heb een dochter! Eén verdieping lager ligt een héél klein meisje met lange benen, in een glazen bakje. Mijn dochter! De adrenaline giert door mijn lijf. Ik lig alleen in mijn bed en lach. Ik ben moeder.
In de weken die volgen bestaat mijn wereld uit het ziekenhuis en mijn eigen slaapkamer. De rest van de wereld om me heen neem ik alleen vaag waar. Het enige dat telt is mijn net geboren gezinnetje. Het focussen gaat vanzelf. De natuur bepaalt.

Eind september. We hebben plotseling een klein meisje in huis. Raar. Ik ben full time moeder: luiers, borstvoedingen, alles er op en er aan. En het gaat me goed af. Want er is iets veranderd. Er is iets wezenlijks anders in mijn lijf. Bij alles wat ik doe voel ik het.
Ik ben 100% moeder. Dat is geen keuze. Dat is.

donderdag 1 juli 2004

Making conversation

Aan alle vrouwen die vóór mij zwanger waren en tegen wie ik opmerkingen heb gemaakt over de omvang van hun buik, biedt ik hierbij mijn verontschuldigingen aan. Pas nu ik zelf halverwege mijn zwangerschap ben, besef ik hoe vermoeiend het is dat de hele wereld een mening schijnt te mogen hebben over je uiterlijk. Op één dag kunnen deze meningen variëren van je gaat het toch al echt zien tot kun je die spijkerbroek nóg aan of wat een bescheiden buikje! Afhankelijk van wat je de volgende dag aan hebt, kan het zo maar dat diezelfde mensen (meestal collega’s) de volgende dag hun mening bijstellen en dat weer graag met je delen. De eerste opmerkingen voor de lunch zijn nog wel te behappen, maar hoe verder de dag vordert, hoe meer mijn arsenaal aan reacties opraakt. Want tja, wat kan je eigenlijk zeggen over die buik?
Meningen over je buik, maar ook meningen over wel of geen pretecho, thuis bevallen of in het ziekenhuis. Meningen over onderwerpen waar ik zelf goed over nadenkt op een moment dat ik daar aan toe ben. Waar ik zelf een mening over heb, niet altijd gebaseerd op argumenten, maar vaak op mijn gevoel.
Heb je behoefte aan wat meer aandacht in je leven? Word zwanger! Nooit vroegen zo veel mensen aan me hoe het gaat. En als er gelijktijdig met je zwangerschap nog wat andere belangrijke dingen in je leven gebeuren, dan zit je helemaal gebeiteld. En wat is de natuurlijke neiging van de mens als hem een vraag gesteld wordt? Antwoord geven! Natuurlijk heb je dan nog de keuze tussen de lange versie en de korte versie van het antwoord. Aanvankelijk zag ik het gevaar niet. En alle lieve mensen die mij met een serieuze, meelevende blik aankeken hadden wat mij betreft dan ook recht op een betrokken antwoord. Gevolg: je komt nauwelijks aan werken toe, de collega’s met wie je je kamer deelt kennen alle ins en outs van je leven beter dan je eigen vriend en je praat zo veel over jezelf dat je je eigen verhaal niet meer kunt horen. Hoe goed bedoeld ook, ik voel me niet prettig bij al die aandacht!
Daarom probeer ik een nieuwe tactiek: zo snel mogelijk het perspectief van het gesprek te verleggen. Na een kort antwoord zoals het gaat goed, stel ik zo snel mogelijk de wedervraag en … hoe gaat het met jou? (niet iedereen trapt jammer genoeg in dit trucje)
‘Making conversation’ als je toevallig iemand tegenkomt op straat, in de gang op je werk, is niet altijd even makkelijk. En buiken en zwangerschappen zijn blijkbaar een makkelijke ingang om een praatje te maken. Zoals gezegd: ongetwijfeld lief bedoeld, maar ook erg makkelijk. Voor diegene die het gesprekje begint. Maar niet altijd voor de aangesprokene. Daarom mijn excuses aan al degenen die ik met obligate vragen en meningen heb bestookt. In de toekomst zal ik er aan denken dat een zwangere vrouw ook nog iets meer is dan alleen een buik.